Berichten

ACT en de Kanaalgraver

Een van de leuke dingen van ACT-therapeut zijn is dat je veel met metaforen werkt en dat je zelf, net als je cliënten, de hele dag door om je oren geslagen wordt met de grillen van het leven en dus non-stop moet blijven dooroefenen. Practise what you preach, en dat de klok rond. Voor je het weet plopt er dan weer een metafoor op.

Zo kwam ik er recentelijk achter dat ik een typische kanaalgraver ben. Een kanaalgraver is iemand voor wie ‘go with the flow’ van nature een no-go is. Iemand die liever een rechte lijn trekt richting het eindpunt en daar dan in grote passen naar toe beent. Of op het water: Iemand die de bochten in de rivier storend vindt omdat ze het zicht op het doel ontnemen en de voorkeur geeft aan een kanaal. Lekker duidelijk. Rechte lijn, geen stroming, je bepaalt dus zelf je snelheid en die is uiteraard volle kracht vooruit. Geen getrut met een kano of een roeiboot, dobberen is tijdverlies.

Toen ik een aantal jaren geleden naast mijn baan in het onderwijs een eigen praktijk begon bleek de weg er naartoe een zeer bochtige rivier. Ik weet niet waar ik in zat, maar het was geen speedboot. Een opblaasbootje, misschien? Ik kwam niet vooruit, dat weet ik wel. Het was alsof mijn bootje constant vastliep. Ik peddelde en peddelde en mijn bootje tolde, en dat was het wel zo’n beetje. Maar zo zat ik niet in elkaar! Hup, die boot uit en graven! Al moest ik al die bochten eigenhandig weghakken, ik moest en zou vooruitkomen en mijn doel bereiken. Een kanaal graven, dat is niet niks, en het lukte dan ook niet. Op een gegeven moment ging ik, moe van het graven, maar weer in mijn bootje zitten. Ik kon niet meer bedenken wat ik nog moest doen, dus ik deed maar even niks. En zie! Pas toen ik ophield met mijn hysterische gehak en niet meer krampachtig probeerde een rechte lijn vast te houden gebeurde er iets. De rivier nam mij mee.

Ik zie in mijn praktijk heel veel kanaalgravers. Mensen komen omdat ze een probleem ervaren en willen liefst van mij de speedboot krijgen. Een kant-en-klare oplossing. Maar veranderingen hebben tijd nodig. Zelfgekozen en ongewenste veranderingen. Of je nu, zoals ik, iets nieuws en spannends gaat doen of je leven probeert op te pakken na een groot verlies. Wennen aan een nieuwe rol of situatie is een proces dat met horten en stoten gaat, soms even helemaal niet gaat en dan ineens weer wel. Het is als varen over een rivier met bochten en onverwachte stroomversnellingen. De bochten zijn er, en misschien zijn ze ook wel nodig om ons een beetje af te remmen. Af en toe even verplicht dobberen. Even bijkomen en uitrusten. Achteromkijken, je opnieuw oriënteren, om je heen kijken, je peddels weer goed vastgrijpen. Allemaal dingen waar je geen tijd voor hebt als je je probeert staande te houden in een steigerende motorboot.

Mijn advies aan mezelf en aan mijn mede-kanaalgravers: als je vastloopt en je voelt de neiging opkomen om als een malloot aan te vallen op je omgeving (riet wegkappen, rotsblokken verplaatsen, bochten afgraven, alle obstakels MOETEN! NU! WEG!) ga dan in je bootje zitten en doe niks. Kijk naar waar je vandaan komt en loop in je hoofd nog eens na wat je onderweg hebt meegemaakt. Ben even stil om te voelen wat het met je gedaan heeft. Wacht af. Wat gebeurt er als jij niks doet? Kijk naar je peddels en bedenk waar je je aan vast wilt houden voor je verder gaat. Hoe wil je varen? Ik koos voor de peddels ‘geduld’ en ‘mild voor mezelf’. Dat was een stap hoor, met de hakbijl nog in mijn hand.

Soms is het ‘moeten’ loslaten genoeg om voor beweging te zorgen. Soms zie je al dobberend ineens hulp op de kant staan. Soms baal je nog steeds als een stekker dat je stilligt, maar voel je wel dat je lichaam die rust nodig had. Ondertussen blijft de rivier geruststellend stromen.

Ik kan je zeggen, zo’n rivier…dat is mooi! En dat dobberen…daar kan ik misschien ook wel aan wennen.

ACT en het piekerpantser

Ik hoor nogal eens van leerlingen of cliënten dat ze zoveel piekeren. Ze liggen ’s nachts te malen en slapen daardoor slecht. De meesten van hen zien piekeren als een automatisch en ongewenst gevolg van hun zorgen. Het idee dat het piekeren een functie heeft, dat het iets is waar je als mens, vaak onbewust, voor kiest, geeft een gesprek een nieuwe ingang.

Er was eens een meisje. Ze vond de wereld groot en eng. Echt een plek om in te verdwalen. Een route leek er niet te zijn. Alle bordjes die de weg aangaven wezen een andere kant op. Het maakte haar heel onzeker. Ze schuifelde door de wereld, zonder enig idee waar ze was en waar ze naartoe moest. Op een dag zag ze een groot, glimmend ding in het gras liggen. Een piekerpantser! Enthousiast trok ze het aan. Wat handig, een mobiele schuilplek! Van de buitenkant leek het meisje op een zilveren iglo met kleine voetjes eronder.

Het piekerpantser was zwaar en zat ongemakkelijk, maar het voelde veilig. En het werkte meteen. Het meisje zag de route die ze afgelegd had voor zich, en alle alternatieve routes die ze had kunnen nemen. Ze zag waar ze naar toe zou kunnen gaan, en wat er dan allemaal zou kunnen gebeuren. Met het pantser kon ze nu alle routes uitproberen om uiteindelijk de beste te kiezen.

De zilveren iglo kwam niet van zijn plek. Lopen ging niet met dat logge gewicht, en trouwens, er waren steeds nieuwe routes om te overwegen. Het meisje werd moe en het pantser zakte een beetje omlaag, over haar ogen.

Wat maakt dat het meisje het pantser aantrekt? Wat vindt ze er fijn aan? Helpt het pantser haar? Hoe kan het meisje haar weg vinden? Wat zou je haar adviseren?

Ons verstand stelt ons in staat de wereld te duiden, verbanden te leggen, risico’s in te schatten, oordelen te vellen. Het waarschuwt voor gevaar en adviseert in lastige situaties, en vergroot zo onze veiligheid. Heel handig. We maken er de hele dag door dankbaar gebruik van. Ook wanneer we in een bedreigende situatie terechtkomen waar we geen invloed op hebben, zetten we ons verstand in. Het gaat nóg harder zijn best doen dan anders om grip te krijgen op de situatie, zodat we ons weer veilig voelen. En dus draaien we urenlang dezelfde gedachten af (‘als ik nou…..’ en ‘had ik maar….’). Dit mentale tijdreizen geeft een gevoel van controle; er dreigt misschien gevaar, maar je dóet er iets aan. Het piekeren wordt een soort pantser.

Met behulp van ACT (Acceptance and Commitment Therapy) kun je leren naar je pantser te kijken. Je kunt leren om te gaan met het gevoel dat je krijgt als je ongepantserd rondloopt. Met ACT kun je erachter komen in welke richting je wilt vertrekken, ook zonder te weten wat er na de bocht zal zijn, en daar genoegen mee te nemen.

Wie zich in het meisje herkent en ook soms voelt dat het piekerpantser elke stap vooruit onmogelijk maakt, kan ervoor kiezen het pantser terug te leggen in het gras. Te gaan lopen, zonder route en met onzekerheid. Dat is eng, ja. En misschien ook mooi, uitdagend of inspirerend. Bovendien, de binnenkant van die zilveren iglo heb je op een gegeven moment ook wel gezien.

Berlijn ligt in het oosten

Over ACT en voornemens

 

Ja hoor, daar zijn we weer, op het ‘en nu écht!’-punt. Met frisse strijdlust of een nauwelijks verholen gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen, op de barricades voor een ander 2019. Goede voornemens, mensen! Ik heb er twee, eentje is nieuw en het andere zeul ik al jaren met me mee. Mijn nieuwe voornemen voor het nieuwe jaar is: leren jongleren! Ik vind het leuk om iets compleet nutteloos te leren (wat?! nutteloos?! oog-hand coördinatie, mindfulness in beweging, het aanleggen van nieuwe verbindingen tussen de twee hersenhelften, hoe zinvol wil je het hebben?) en het lijkt me gewoon heel cool om in de klas ineens achteloos met drie etuis te gaan jongleren. Ik ben al begonnen. Dat wil zeggen, ik heb YouTube geraadpleegd en de jongleerballen uit de speelgoedkist gevist en ben toen blijven steken bij stap 1, waarbij je overgooit van de ene naar de andere hand met één bal. En ja, dat moet je dus oefenen, want dat moet op een bepaalde manier, waarbij…afijn, ik ben daar nog mee bezig. Het tweede voornemen is mijn persoonlijke gouwe ouwe: het oefenen van geduld. In de file geef ik me moeiteloos over aan de situatie en op school met mijn leerlingen leg ik zonder problemen 25 keer hetzelfde uit, maar als mijn eigen leerproces het tempo van een auto in de spits heeft dan heb ik het zwaar. De weg naar wat ik voor ogen heb is me vaak te lang. ‘Gij zult een succesvolle, gewaardeerde therapeut en docent zijn, met een oneindig arsenaal aan tools en techieken om eenieder te bieden wat hij nodig heeft!’ preekt mijn hoofd. ‘Wat zegt gij? Al doende leert men? Haha, dat geldt wellicht voor de rest van de wereld, maar gij zult alles in één keer kunnen!’ Tsja.

 

Gelukkig ben ik al weer een paar jaar bezig met ACT en dat helpt. Enorm. Door ACT (Acceptance and Commitment Therapy) lukt het me beter om die stem in mijn hoofd op te merken en er om te lachen. Roept u maar, dan ga ik ondertussen mijn gang, op mijn manier en in mijn tempo. Ik oefen elke dag om mild en geduldig te reageren op mezelf, als weer eens blijkt dat ik geen perfecte vrouw, moeder, echtgenote, zus, vriendin, therapeut, trainer of docent ben. Wat mij geholpen heeft is een simpele uitspraak die ik een hele tijd geleden ergens opving: Berlijn ligt in het oosten.

 

Goed, dat is niets nieuws. Maar als je ’s morgens op de fiets stapt om een eindje te rijden, dan maak het nogal wat uit of je je voorneemt naar het oosten te fietsen of naar Berlijn. Het oosten is easy, als je drie straten verder omvalt heb je toch gedaan wat je je voorgenomen had. Had je je daarentegen ten doel gesteld Berlijn te bereiken dan is de kans groot dat je ergens halverwege teleurgesteld en uitgeput in de berm ligt. Met andere woorden, het werkt soms beter te bedenken welke kant je op wil, dan waar je precies uit wil komen. Natuurlijk, in bepaalde gevallen is een heel concreet doel hebben juist erg helpend, zeker als het om iets gaat dat je op korte termijn wil bereiken, of wat te maken heeft met één specifiek aspect van je leven. Ik wil een familiereünie organiseren of ik wil een andere baan vinden of ik wil een 6 gemiddeld voor Frans op mijn rapport. Maar als het gaat over de lange termijn, over ondersteuning vinden om je leven te leiden op een manier die bij je past, dan helpt een heel specifiek doel je niet. Want we weten allemaal dat er altijd dingen op je pad komen die je niet bedacht of gewild had. Dan is Berlijn ineens onbereikbaar geworden. Of je komt er halverwege achter dat Berlijn misschien toch niet de plek voor jou is.

 

Als het gaat over grote vragen, zoals ‘waar wil ik naar toe met mijn leven / huwelijk / werk?’ of ‘wat voor soort iemand wil ik eigenlijk zijn?’ dan helpt het om niet te denken in termen van concrete doelen, maar juist waarden als uitgangspunt te nemen. Je kiest een richting, niet een eindpunt. Dan kun je vanaf dag 1 bedenken welke stap een stap in de goede richting is, en is één stap tegelijk al goed. Als ik dat vertaal naar de goede voornemens voor morgen, verandert ‘ik wil 60 wegen’ in ‘ik wil goed voor mezelf zorgen’ en ‘ik wil een harmonieus gezin’ in ‘ik wil (bijvoorbeeld) betrokken en verdraagzaam zijn’. Per dag, per keer, per keus, bedenk je wat past bij die waarden. Neemt iemand die goed voor zichzelf zorgt de auto of de fiets? Hoe reageert een betrokken, verdraagzame ouder op haar norse puber? Als je vanuit waarden denkt heb je eindeloos veel kansen om te doen wat goed voelt. En omdat je wel steeds bijstuurt, maar geen einddoel hebt, kunnen je voornemens jaren mee. ’T Is maar een tip!

 

 

ACT en je levenssoep

Dit zou fijn zijn: je wordt wakker en het eerste wat je denkt is ‘Jaaa! Weer een dag!! Ik bruis!’ Je springt uit bed en op de badkamer kijk je blij verrast in de spiegel en roept ‘Halló knapperd!!’, waarop je naar beneden loopt, in je agenda kijkt en bij alles denkt ‘Zin in!’ Zo huppel je je dag in.

Niet iedereen heeft dit dagelijks. Voor wie het wel geldt zou ik zeggen: good for you, houden zo (en roep al die dingen niet hardop want zoiets wordt snel irritant).

Nou zouden we onze dag vast allemaal graag op bovenstaande wijze beginnen, dus als het mogelijk was dacht iedereen wel de hele dag alleen maar positieve dingen over zichzelf, zijn omgeving en zijn to do-lijstje. Maar helaas kunnen we onze gedachten niet zelf uitkiezen. Ik vind het zuur om te merken dat veel mensen zichzelf kwalijk nemen dat het in hun hoofd soms heel ongezellig is. Alsof je met een beetje meer inzet nooit meer ‘ik kan niet’ of ‘ik durf niet’ zou hoeven te denken.

Acceptance and Commitment Training (ACT) leert je dat iedereen wel eens negatieve gedachten en gevoelens heeft en dat het geen zin heeft al je energie te steken in het bestrijden ervan. In plaats daarvan besteed je je energie aan dingen die belangrijk voor je zijn. Jongeren die ik spreek zijn vaak heel streng voor zichzelf. Als ze vertellen dat ze nergens zin in hebben of onzeker zijn volgt vaak meteen daarna hun eigen oordeel: ze snappen ook niet waarom het zo lang duurt, het slaat nergens op, ze hebben eigenlijk genoeg positieve dingen in hun leven, ze zouden alles anders en beter moeten doen. Ze zouden die gedachten niet moeten hebben. Ik gebruik dan soms de soep-metafoor:

Stel je een grote pan soep voor: jouw levenssoep. De bouillon is je karakter, je aanleg en talenten. Alles waar je mee in de wieg lag (Wat wil je zijn? Kippenbouillon? Tuinkruiden?). Alles wat er daarna bij is gegooid, aan groenten of kruiden, dat zijn de gebeurtenissen uit je leven. Elke ervaring is een ingrediënt. Je soep heeft een flinke tijd staan pruttelen. Als je boven de pan gaat hangen ruik je de soep. De geur die ervan afkomt is een logisch gevolg van de mix van ingedriënten. Zo is het ook met je gedachten. Ze horen bij jouw leven, zoals het nu is. Als jij een heel druk en ondernemend type bent en van jongs af aan hebt gehoord dat je niet te handhaven bent in de klas, zou het kunnen dat je van jezelf denkt dat je een moeilijk iemand bent. Misschien denk je snel dat mensen een hekel aan je hebben of dat ze je er liever niet bij hebben. Als jij als kind langdurig gepest bent, ben je waarschijnlijk altijd op je hoede en heb je bijpassende gedachten als je nieuwe mensen ontmoet. Als jij altijd de beste van de klas was en steeds maar weer hoorde hoe slim je was, gebeurt er in jouw hoofd iets anders als je een zes terugkrijgt dan bij je vriendin, die al haar hele leven met de hakken over de sloot overgaat.

Net zo min als jij kan maken dat kippensoep naar uiensoep ruikt zonder de soep te veranderen, kun jij je gedachten veranderen alleen door het te WILLEN. Je gedachten zijn dus ook niet jouw schuld. Je gevoelens ook niet. Ze zijn er gewoon, omdat jouw leven is gelopen zoals het gelopen is. Jouw soep ruikt daarom naar jouw soep.

Ja maar hé, ik hou helemaal niet van deze soep! Wat nu? Kan ik dan niks doen? Jawel, dat kan wel. Je kunt de samenstelling van de soep veranderen. Wat er in zit, zit er in, dat wel. Maar jij kunt toevoegen wat je wil. Beetje bij beetje maak jij van jouw levenssoep een soep naar jouw smaak. Elk ingrediënt is een ervaring. Dus het is zaak om ervaringen te gaan creëren die je leuk vindt. Dat is wat ACT je leert: onderzoeken wat bij je past, waar je blij van wordt, wat je belangrijk vindt. En dat dan gaan doén. Ook als er moeilijke gedachten of gevoelens in de weg zitten. Misschien gaat de kippengeur nooit helemaal weg (blijf je af en toe denken dat je niet goed genoeg bent of dat alles beter moet), maar de uien zullen hun werk doen. Hoe meer lekkers je in de soep gooit, hoe smakelijker ‘ie wordt.

Dus, chef, wat wordt ‘t?

,

Eén portie pijn en pech, alstublieft!

Newsflash: het leven is niet maakbaar. Bij een normaal leven hoort af en toe een tegenvaller, een dip, of soms zelfs iets wat heel veel pijn doet. Ik spreek regelmatig jongeren die niet lekker in hun vel zitten. Soms beginnen ze te vertellen en kost het me moeite niet over de tafel te springen om ze een dikke knuffel te geven. Wat kinderen af en toe moeten meemaken is niet mis. Maar even vaak hoor ik het aan en denk ik: wat jij nu beschrijft, dat heet gewoon leven. Met ups en met downs, daar word je een compleet mens van. Waar hebben onze kinderen het idee vandaan dat er iets mis met je is als je even niet helemaal happy bent?

 

Van ons, denk ik. Als ze ‘maar’ gelukkig zijn, toch? Alsof dat niet zo veel gevraagd is, permanent gelukkige kinderen. We doen alles voor ze, helpen waar we kunnen, staan joelend aan de zijlijn van hun leven, en het enige wat we terugvragen is dat ze lekker meedoen met de rest en…gelukkig zijn. En van social media, waar we allemaal alleen maar laten zien hoe fantastisch ons leven is, en hoe knap en succesvol we zijn, de klok rond gezond etend, sportend, genietend van ons leven, verliefd op onszelf en onze naasten #lovemylife.

 

De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’.

 

Ik hoor keer op keer twee dingen: je mag je niet rot voelen en als het toch zo is mag je het niet laten merken. Je mag je niet rot voelen. Dat is blijkbaar wat we onze kinderen leren. Of nou ja, het mág wel, maar dan moeten we er wel meteen iets aan dóen. Wij als ouders (ik hoor daar bij) verdragen niet dat onze kinderen verdrietig, boos of bang zijn. We schrikken daar van. We willen het niet zien. Dus óf: ‘Stel je niet aan. Schouders eronder!’ of we trekken ten strijde: naar de hockeycoach voor een plek in een ander team, naar de juf voor een andere plaats in de klas of een ander advies, naar ouders van klasgenoten voor overleg over een verloren vriendschap. Of linea recta naar de huisarts voor een verwijzing naar een psycholoog. De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’. Ik pleit voor iets anders. Ik wil dat we onze kinderen leren dat verdriet, pijn en angst bij het leven horen. Dat het niet slecht met je gaat als je je een tijdje slecht voelt. Dat alle mensen, iedereen die ze elke dag thuis en op school zien, twijfel, onzekerheid en frustratie kennen. Het is supernormaal. Je kunt er best over praten, het lucht vaak op maar het lost niet alles op. En dat hoeft ook niet.

 

Begrijp me goed, ik ben zeker niet tegen hulp vragen of bieden. Ik ben blij als iemand door mijn steuntje in de rug lichter de deur uit gaat. Jongeren die zich verontschuldigen voor hun gevoel (en dat doen ze! ‘Ik weet wel dat andere mensen veel ergere dingen hebben..’) zeg ik altijd dat er geen weegschaal bestaat die pijn weegt en zegt of jouw verdriet groot genoeg is om te komen. Jij hebt er last van en je wil je anders voelen. Het vergt moed om dat te durven zeggen. Wel hoop ik voor de toekomst dat mensen, jonge mensen voorop, leren open te zijn over wat ze dwars zit en wat zwaar weegt. Op de eerste plaats tegen zichzelf. Dat ze begrip en herkenning vinden als ze erover praten. En vooral: dat degenen met wie ze hun gevoelens delen hun vertrouwen uitspreken, zodat ze ook zelf gaan geloven dat ze om kunnen gaan met wat op hun pad komt. Of het nou een echtscheiding, het verlies van een dierbare, een gebroken hart of ‘gewoon’ de puberteit is, de meeste mensen kunnen veel aan als hun pijn er mag zijn en ze de tijd krijgen om even te worstelen.

 

Met behulp van Acceptance and Commitment Training en mindfulness probeer ik in mijn praktijk en op de school waar ik werk zoveel mogelijk jongeren te leren dat je niet op de vlucht hoeft te slaan voor je eigen binnenwereld. In plaats daarvan kun je rustig op weg naar je toekomst, binnenwereld en al. Zoeken mag, en af en toe struikelen ook. Gewoon steeds een stap.

 

Tja, en thuis…probeer ik mijn zoekende kinderen dit ook te leren door te laten zien dat ik me soms ook liever onder een dekbed verstop en ontspannen te reageren als ze zich een tijdje zichtbaar rot voelen. Dat eerste lukt al heel goed.

 

 

Meer weten over ACT? Klik hier of neem contact op.

 

,

ACT en de moeder die het goed bedoelde

Ik ben fan van ACT. ACT, Acceptance and Commitment Therapy, is een variant van cognitieve gedragstherapie die mensen leert hun negatieve gedachten en gevoelens toe te laten, zonder hun gedrag er door te laten bepalen. Met andere woorden, je kunt iets eng vinden en het toch doen. Je kunt richting geven aan je eigen leven, al piept een onzeker stemmetje in je hoofd ‘dit lukt nooit! Ze vinden je vast raar!’.

 

Onderstaand verhaaltje gebruik ik wel eens als ik met jongeren praat over hun drukke hoofd dat ze onophoudelijk plaagt met allerlei gedachten over hoe ze zouden moeten zijn en doen. Mijn bedoeling met het verhaaltje is om jongeren te laten zien dat dat stemmetje niet de vijand is en niet bestreden hoeft te worden. We kennen het allemaal. Het is het stemmetje van een goedbedoelende, soms niet al te handige ‘adviseur’ die ons probeert te behoeden voor gevaar.

 

Er was eens een vrouw die zwanger was van een jongetje. Ze liep op straat te genieten van het mooie weer en het getrappel in haar buik toen ze opeens iets heel ergs zag gebeuren. Ze schrok verschrikkelijk en rende overstuur naar huis. In de maanden die volgden kon ze het voorval maar moeilijk loslaten. Ze dacht de hele tijd aan het baby’tje in haar buik. Als hem maar nooit zoiets zou overkomen! Ze nam zich voor er alles aan te doen om haar zoontje te beschermen. Het jongetje werd geboren en was een vrolijk kind. Hij woonde met zijn moeder in hun veilige huis en was gelukkig. Toen hij wat ouder werd wilde hij naar buiten. ‘Nee, dat kan niet’, zei zijn moeder, ‘je bent te klein’. Hij speelde vrolijk verder en werd groter. Er kwamen kinderen aan de deur om hem te vragen mee te spelen. Hij keek hoopvol naar zijn moeder. ‘Nee, dat kan niet’, zei ze, ‘buiten is het te gevaarlijk’. Het jongetje groeide op en zat soms voor het raam. ‘Hier binnen ben je veilig’, zei zijn moeder, ‘om naar buiten te gaan moet je veel groter en sterker zijn. Daar is het veel te gevaarlijk voor jou. Je bent niet sterk genoeg.’ Op een dag was de moeder van het jongetje boodschappen doen. Ze was vergeten de deur dicht te doen. Hij stond voor de open deur en keek naar buiten. Met bonkend hart sloot hij de deur en draaide hem op slot.

 

Wat vind je van de moeder? vraag ik de jongeren dan. Wat zou je tegen het jongetje willen zeggen? En: houdt de moeder van het jongetje? Werkt haar aanpak?

 

De antwoorden zijn altijd hetzelfde en helpen de houding te bepalen die ik ze graag help aannemen ten opzichte van hun eigen angsten en onzekerheden. De moeder bedoelt het goed, maar helpt het jongetje niet. Wat ze ook gezien heeft, de wereld is niet alleen maar slecht en iedereen gunt het jongetje ook een leven buiten.

 

Ieder van ons heeft dingen meegemaakt. Dingen waar we van schrokken of die ons verdrietig of onzeker maakten. Onze interne adviseur heeft dat allemaal gezien en probeert ons te beschermen door vergelijkbare situaties te vermijden. Dat pakt hij af en toe een beetje klunzig aan. Ben je ooit uitgelachen tijdens een spreekbeurt, dan roept onze adviseur zo gauw je in de klas een beurt krijgt al ‘ze gaan je uitlachen!’ Om je maar vast te waarschuwen voor wat er kan komen. Een onvoldoende gehaald terwijl je goed geleerd had? ‘Jij kunt geen wiskunde’. Om teleurstelling voor te zijn. Heb je ooit een steek van jaloezie gevoeld omdat iedereen lachte om een grappige klasgenoot? Dan roept de adviseur de hele dag ‘zeg ‘ns wat! Doe ‘ns wat leuker!’ Zo probeert hij ons te helpen. ‘Je moet meer zus! Je moet zeker nooit meer zo!’

 

Vaak is het helemaal niet duidelijk waarom hij roept wat hij roept. En dat doet er ook niet toe. Hij bedoelt het goed, zoals de moeder in het verhaaltje. Maar hij kletst een hoop onzin. Ik probeer de jongeren met wie ik werk, en mezelf (!) te leren dat je je adviseur af en toe vriendelijk kunt bedanken voor de tip, maar het advies mag negeren. Naar buiten, de wereld in.

 

 

ACT is positief, praktisch en op actie gericht. Dat maakt het heel geschikt voor jongeren. Wil je meer weten? Kijk dan hier of neem contact op.