,

Een motivatieprobleem = een motivatieprobleem, of toch niet?

In de top drie van wanhoopskreten van ouders van pubers staat al sinds jaar en dag deze: waarom gaat mijn kind nou niet gewoon aan het werk!?

Ik hoor hem op school, ik hoor hem van vriendinnen en ik hoor hem wel eens uit mijn eigen mond komen. Het is ook bijna niet te doen, als ouder: steeds weer zien hoe je kind NIET doet wat juist een heel goed idee zou zijn, volgens jou. Direct na school aan de slag gaan met het huiswerk, bijvoorbeeld, of af en toe kijken wat er volgende week op het programma staat en daar dan een conclusie aan verbinden. Dat je misschien even moet wachten met het nieuwe seizoen van Suits, of zo.

Het ligt ook zo voor de hand om dan te zeggen dat je kind niet gemotiveerd is, want als er iemand een gebrek aan motivatie uitstraalt is het wel je favoriete bankhanger, toch? Nou…zo simpel is het niet. Iets wat er uitziet als een gebrek aan motivatie kan uiteenlopende oorzaken hebben, waarvan sommige makkelijker te herleiden zijn dan andere. Wat de meeste mensen bedoelen als ze het hebben over hun ongemotiveerde kind is dat hun kind niet of te weinig uit zichzelf in beweging komt, geen lol beleeft aan leren en onder zijn niveau presteert. Het onderstaande lijstje komt uit het boek Onderpresteren (Saskia Bruyn en Monique Schaminée) en geeft mogelijke andere oorzaken voor wat we zien:

Verschijnsel 1 Chaotisch gedrag – Mogelijke oorzaak: puberbrein

De prefrontale cortex, verantwoordelijk voor impulsbeheersing en planmatig handelen, is nog niet optimaal ontwikkeld. Het is dus voor een puber veel lastiger dan voor ons om zich aan gestelde doelen te houden, zelfs als ze die doelen wel belangrijk vinden. Daardoor verliest doelmatig handelen het van kortetermijnwinst, dus liever even naar het nieuwste YouTube filmpje kijken dan braaf woordjes herhalen.

Verschijnsel 2 Toont geen studievaardigheden – Mogelijke oorzaak: studievaardigheden ontbreken of worden niet ingezet.

Misschien heeft je kind deze vaardigheden nooit nodig gehad, omdat ze probleemloos door de basisschool zijn gefietst, en ze dus niet hebben leren leren. Sommige kinderen (zoals kinderen met autisme, ADD, ADHD) hebben van nature meer moeite met executieve functies. Maar het kan ook zijn dat je kind de vaardigheden best beheerst, maar ze niet gebruikt omdat hij de noodzaak nog niet gevoeld heeft.

Verschijnsel 3 Startprobleem/uitstelgedrag – Mogelijke oorzaak: faalangst

Sommige kinderen die niet aan het werk gaan, doen dat niet omdat ze niet willen, maar omdat ze bang zijn te falen. Dit kan allerlei redenen hebben: slechte ervaringen in het verleden, druk van thuis, maar ook minder voor de hand liggende redenen.

Verschijnsel 4 Slakkengang – Mogelijke oorzaak: perfectionisme

Deze kinderen verliezen zich vaak in voorbereiding of details, maken prachtige schema’s of samenvattingen, maar zijn te laat met het uiteindelijke werkstuk. Hebben wel de capaciteiten maar hebben toch vaak de toets niet af. Bang niet aan hun eigen hoge eisen te voldoen, doen ze liever iets niet dat iets niet goed.

Verschijnsel 5 Kan niets zelf – Mogelijke oorzaak: aangeleerde hulpeloosheid

Kinderen kunnen geleerd hebben dat ze het zonder hulp niet kunnen. Doordat ze, door allerlei goede bedoelingen, altijd geholpen, ondersteund en begeleid zijn door hun ouders. Doordat ze hulp of bijles hebben gehad en doordat er bij elke frustratie iemand was om het probleem mee op te lossen. Deze kinderen hebben nooit geleerd zelfstandig met tegenslag om te gaan en te vertrouwen op hun eigen kunnen.

Verschijnsel 6 Nergens zin in – Mogelijke oorzaak: depressie

Er kan een duidelijk aanwijsbare oorzaak zijn voor een gebrek aan motivatie dat niet alleen school betreft: liefdesverdriet, ruzie thuis of met vrienden, grote veranderingen in de thuissituatie. Dan ligt de focus op het verwerken van iets anders. Duurt het heel lang of is de oorzaak onduidelijk, dan kan er ook sprake zijn van een depressie.

De achterliggende oorzaak voor de slechte werkhouding bepaalt wat een kind van je nodig heeft. In het eerste geval positieve procesbegeleiding om te leren werken aan concrete, haalbare doelen. In het tweede geval praktische tips over plannen, samenvatten of uit je hoofd leren. In de overige vier gevallen begrip en een luisterend oor, om te beginnen. Maar dan moet je wel eerst weten waar bij jouw kind de schoen wringt.

Dus: een kind dat zuchtend op de bank hangt met zijn telefoon kan om heel verschillende redenen op die bank terecht gekomen zijn. Om te achterhalen wat bij jouw kind de reden is voor zijn gedrag heb je twee dingen nodig: een goede verstandhouding, zodat gedachten en gevoelens besproken kunnen worden, en oog voor de manier waarop je kind leert en keuzes maakt. En dit in de levensfase dat veel kinderen liever minder met hun ouders delen dan méér en al snel vinden dat je je te veel met ze bemoeit. Inderdaad: een uitdaging!

Gedrag is een taal. Het vertelt ons iets. Dat vind ik zelf altijd een goeie om te onthouden. Als je kind niet aan het schoolwerk wil beginnen, heeft hij of zij daar een reden voor. Want gedrag is niet alleen een taal, het heeft ook een functie. We doen alleen maar dingen die iets opleveren. Dat geldt ook als we ons ‘niet kunnen vóórstellen wat je in hemelsnaam zou kunnen opschieten met de hele dag wezenloos naar dat ding kijken!’ Soms, bij een rechttoe-rechtaan-gevalletje-geen-motivatie vermijdt een kind alleen maar het gevoel van verveling dat bij (noem eens wat) scheikunde hoort. Als je kind ‘gewoon’ geen zin heeft, omdat veel tieners met name geïnteresseerd zijn in zaken die niet in boeken staan, dan spreek je regels af en stel je grenzen en geef je eindeloos aan wat er al goed gaat. Dan herhaal je drie jaar lang dat iedereen soms mét verveling aan de slag moet, omdat sommige dingen nou eenmaal belangrijk zijn. Dat is niet leuk, maar dat heet opvoeden en op een gegeven moment snappen ze hoe het werkt.

Maar er kan dus ook iets anders aan de hand zijn. Het kan ook zijn dat je kind zijn huiswerk blijft uitstellen of bij het minste of geringste opgeeft omdat er iets anders in de weg zit. Misschien wordt je kind tijdens het leren overvallen door twijfel over zijn capaciteiten of paniek over de onoverzichtelijke hoeveelheid werk. Misschien weet je puber alleen maar dat hij heel snel van die angst en stress af wil, en grijpt hij elke afleiding dankbaar aan om weg te gaan bij dat gevoel. En misschien gebeurt dat grotendeels onbewust. In dat geval is het eindeloze gescroll op de telefoon zijn wapen tegen gevoelens waar hij zich geen raad mee weet. En met jouw aansporingen om aan de slag te gaan of jouw gemopper over het uitstelgedrag sla je hem misschien zijn wapen uit de hand zonder zicht te hebben op zijn strijd.

Neem daarom niet te snel aan dat de verveelde houding sowieso op verveling duidt en dat je kind geholpen is met een verbale schop onder zijn gat, een aai over zijn bol of een door jou gemaakte planning. Stel vragen en laat veel ruimte voor antwoorden. Toon begrip als je kind dingen anders ervaart dan jij zou doen. Probeer je een beeld te vormen van wat je kind je vertelt met zijn gedrag. Laat zien dat je het echt wil begrijpen. Het actieplan komt pas daarna.

Opvoeden en opgroeien, ze vallen allebei af en toe niet mee. Gelukkig doen we het samen.

ACT en je levenssoep

Dit zou fijn zijn: je wordt wakker en het eerste wat je denkt is ‘Jaaa! Weer een dag!! Ik bruis!’ Je springt uit bed en op de badkamer kijk je blij verrast in de spiegel en roept ‘Halló knapperd!!’, waarop je naar beneden loopt, in je agenda kijkt en bij alles denkt ‘Zin in!’ Zo huppel je je dag in.

Niet iedereen heeft dit dagelijks. Voor wie het wel geldt zou ik zeggen: good for you, houden zo (en roep al die dingen niet hardop want zoiets wordt snel irritant).

Nou zouden we onze dag vast allemaal graag op bovenstaande wijze beginnen, dus als het mogelijk was dacht iedereen wel de hele dag alleen maar positieve dingen over zichzelf, zijn omgeving en zijn to do-lijstje. Maar helaas kunnen we onze gedachten niet zelf uitkiezen. Ik vind het zuur om te merken dat veel mensen zichzelf kwalijk nemen dat het in hun hoofd soms heel ongezellig is. Alsof je met een beetje meer inzet nooit meer ‘ik kan niet’ of ‘ik durf niet’ zou hoeven te denken.

Acceptance and Commitment Training (ACT) leert je dat iedereen wel eens negatieve gedachten en gevoelens heeft en dat het geen zin heeft al je energie te steken in het bestrijden ervan. In plaats daarvan besteed je je energie aan dingen die belangrijk voor je zijn. Jongeren die ik spreek zijn vaak heel streng voor zichzelf. Als ze vertellen dat ze nergens zin in hebben of onzeker zijn volgt vaak meteen daarna hun eigen oordeel: ze snappen ook niet waarom het zo lang duurt, het slaat nergens op, ze hebben eigenlijk genoeg positieve dingen in hun leven, ze zouden alles anders en beter moeten doen. Ze zouden die gedachten niet moeten hebben. Ik gebruik dan soms de soep-metafoor:

Stel je een grote pan soep voor: jouw levenssoep. De bouillon is je karakter, je aanleg en talenten. Alles waar je mee in de wieg lag (Wat wil je zijn? Kippenbouillon? Tuinkruiden?). Alles wat er daarna bij is gegooid, aan groenten of kruiden, dat zijn de gebeurtenissen uit je leven. Elke ervaring is een ingrediënt. Je soep heeft een flinke tijd staan pruttelen. Als je boven de pan gaat hangen ruik je de soep. De geur die ervan afkomt is een logisch gevolg van de mix van ingedriënten. Zo is het ook met je gedachten. Ze horen bij jouw leven, zoals het nu is. Als jij een heel druk en ondernemend type bent en van jongs af aan hebt gehoord dat je niet te handhaven bent in de klas, zou het kunnen dat je van jezelf denkt dat je een moeilijk iemand bent. Misschien denk je snel dat mensen een hekel aan je hebben of dat ze je er liever niet bij hebben. Als jij als kind langdurig gepest bent, ben je waarschijnlijk altijd op je hoede en heb je bijpassende gedachten als je nieuwe mensen ontmoet. Als jij altijd de beste van de klas was en steeds maar weer hoorde hoe slim je was, gebeurt er in jouw hoofd iets anders als je een zes terugkrijgt dan bij je vriendin, die al haar hele leven met de hakken over de sloot overgaat.

Net zo min als jij kan maken dat kippensoep naar uiensoep ruikt zonder de soep te veranderen, kun jij je gedachten veranderen alleen door het te WILLEN. Je gedachten zijn dus ook niet jouw schuld. Je gevoelens ook niet. Ze zijn er gewoon, omdat jouw leven is gelopen zoals het gelopen is. Jouw soep ruikt daarom naar jouw soep.

Ja maar hé, ik hou helemaal niet van deze soep! Wat nu? Kan ik dan niks doen? Jawel, dat kan wel. Je kunt de samenstelling van de soep veranderen. Wat er in zit, zit er in, dat wel. Maar jij kunt toevoegen wat je wil. Beetje bij beetje maak jij van jouw levenssoep een soep naar jouw smaak. Elk ingrediënt is een ervaring. Dus het is zaak om ervaringen te gaan creëren die je leuk vindt. Dat is wat ACT je leert: onderzoeken wat bij je past, waar je blij van wordt, wat je belangrijk vindt. En dat dan gaan doén. Ook als er moeilijke gedachten of gevoelens in de weg zitten. Misschien gaat de kippengeur nooit helemaal weg (blijf je af en toe denken dat je niet goed genoeg bent of dat alles beter moet), maar de uien zullen hun werk doen. Hoe meer lekkers je in de soep gooit, hoe smakelijker ‘ie wordt.

Dus, chef, wat wordt ‘t?

,

Eén portie pijn en pech, alstublieft!

Newsflash: het leven is niet maakbaar. Bij een normaal leven hoort af en toe een tegenvaller, een dip, of soms zelfs iets wat heel veel pijn doet. Ik spreek regelmatig jongeren die niet lekker in hun vel zitten. Soms beginnen ze te vertellen en kost het me moeite niet over de tafel te springen om ze een dikke knuffel te geven. Wat kinderen af en toe moeten meemaken is niet mis. Maar even vaak hoor ik het aan en denk ik: wat jij nu beschrijft, dat heet gewoon leven. Met ups en met downs, daar word je een compleet mens van. Waar hebben onze kinderen het idee vandaan dat er iets mis met je is als je even niet helemaal happy bent?

 

Van ons, denk ik. Als ze ‘maar’ gelukkig zijn, toch? Alsof dat niet zo veel gevraagd is, permanent gelukkige kinderen. We doen alles voor ze, helpen waar we kunnen, staan joelend aan de zijlijn van hun leven, en het enige wat we terugvragen is dat ze lekker meedoen met de rest en…gelukkig zijn. En van social media, waar we allemaal alleen maar laten zien hoe fantastisch ons leven is, en hoe knap en succesvol we zijn, de klok rond gezond etend, sportend, genietend van ons leven, verliefd op onszelf en onze naasten #lovemylife.

 

De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’.

 

Ik hoor keer op keer twee dingen: je mag je niet rot voelen en als het toch zo is mag je het niet laten merken. Je mag je niet rot voelen. Dat is blijkbaar wat we onze kinderen leren. Of nou ja, het mág wel, maar dan moeten we er wel meteen iets aan dóen. Wij als ouders (ik hoor daar bij) verdragen niet dat onze kinderen verdrietig, boos of bang zijn. We schrikken daar van. We willen het niet zien. Dus óf: ‘Stel je niet aan. Schouders eronder!’ of we trekken ten strijde: naar de hockeycoach voor een plek in een ander team, naar de juf voor een andere plaats in de klas of een ander advies, naar ouders van klasgenoten voor overleg over een verloren vriendschap. Of linea recta naar de huisarts voor een verwijzing naar een psycholoog. De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’. Ik pleit voor iets anders. Ik wil dat we onze kinderen leren dat verdriet, pijn en angst bij het leven horen. Dat het niet slecht met je gaat als je je een tijdje slecht voelt. Dat alle mensen, iedereen die ze elke dag thuis en op school zien, twijfel, onzekerheid en frustratie kennen. Het is supernormaal. Je kunt er best over praten, het lucht vaak op maar het lost niet alles op. En dat hoeft ook niet.

 

Begrijp me goed, ik ben zeker niet tegen hulp vragen of bieden. Ik ben blij als iemand door mijn steuntje in de rug lichter de deur uit gaat. Jongeren die zich verontschuldigen voor hun gevoel (en dat doen ze! ‘Ik weet wel dat andere mensen veel ergere dingen hebben..’) zeg ik altijd dat er geen weegschaal bestaat die pijn weegt en zegt of jouw verdriet groot genoeg is om te komen. Jij hebt er last van en je wil je anders voelen. Het vergt moed om dat te durven zeggen. Wel hoop ik voor de toekomst dat mensen, jonge mensen voorop, leren open te zijn over wat ze dwars zit en wat zwaar weegt. Op de eerste plaats tegen zichzelf. Dat ze begrip en herkenning vinden als ze erover praten. En vooral: dat degenen met wie ze hun gevoelens delen hun vertrouwen uitspreken, zodat ze ook zelf gaan geloven dat ze om kunnen gaan met wat op hun pad komt. Of het nou een echtscheiding, het verlies van een dierbare, een gebroken hart of ‘gewoon’ de puberteit is, de meeste mensen kunnen veel aan als hun pijn er mag zijn en ze de tijd krijgen om even te worstelen.

 

Met behulp van Acceptance and Commitment Training en mindfulness probeer ik in mijn praktijk en op de school waar ik werk zoveel mogelijk jongeren te leren dat je niet op de vlucht hoeft te slaan voor je eigen binnenwereld. In plaats daarvan kun je rustig op weg naar je toekomst, binnenwereld en al. Zoeken mag, en af en toe struikelen ook. Gewoon steeds een stap.

 

Tja, en thuis…probeer ik mijn zoekende kinderen dit ook te leren door te laten zien dat ik me soms ook liever onder een dekbed verstop en ontspannen te reageren als ze zich een tijdje zichtbaar rot voelen. Dat eerste lukt al heel goed.

 

 

Meer weten over ACT? Klik hier of neem contact op.

 

,

Praten met je puber

Ken je die chef-kok die thuis macaroni met ham en kaas eet? De interieurstylist wiens huis géén evenwichtig, eclectisch geheel van vintage en design is, maar gewoon een troep? Ik hoor in het rijtje van mensen die hun skills bij de voordeur achterlaten, en thuis niet lijken te kunnen beschikken over hun professionele kwaliteiten. Of de kans niet krijgen, omdat ze nou eenmaal niet samenleven met mensen die actief op zoek zijn naar die kwaliteit, dat kan ook. Anders gezegd: noch mijn man noch mijn kinderen zoeken mij op voor een goed gesprek. Mijn man omdat hij niet worstelt met levensvragen, de klok rond positief is en geen stress kent. Het bestaat, mensen: ik leef met de personificatie van rust en vertrouwen. Zelf volg ik scholing op scholing en vouw ik mezelf dagelijks dubbel op een yogamat, om vervolgens hopelijk ooit zo ontspannen te zijn als mijn man, die ondertussen gewoon op de bank zit. En van ons tweeën ben ik de coach. Ironie!

 

Dan de kinderen. Drie stuks, tussen 14 en 17. Laatst stond ik de keuken op te ruimen en ving ik een gesprek op tussen de drie, nog aan tafel. Er was sprake van een ‘love interest’, een ‘crush’. Ik draaide me verrast en geïnteresseerd om. Hoe, wie, wat, waar? Nou, ze maakten me snel duidelijk dat ik heus wel zou worden ingelicht bij vaste verkering, maar tot die tijd zeker niet. Ze waren het erg met elkaar eens. “Jij gaat dan meteen van alles vragen!” “Jij komt dan na drie weken nog met ‘Hoe is het afgelopen met die-en-die?’” en “Jij onthoudt dat dan allemaal!”

 

Juist. Ik had het moeten weten. Een moeder is een moeder. Schoenmaker, blijf bij je leest. Een therapeut of coach stelt vragen, neemt je gevoelens serieus, onderzoekt met je wat je wilt. De setting bepaalt dat een Echt Gesprek oké is, zelfs fijn. Je geeft je bloot, doet de deur dicht, en gaat terug naar je gewone leven. Een Echt Gesprek met je ouders, waarin gedachten en gevoelens expliciet benoemd worden, is voor veel jonge mensen ongemakkelijk. Vooral als je zelf nog helemaal niet goed snapt wat je nou eigenlijk allemaal voelt, denkt en wil. Het maakt je kwetsbaar, en zeker face-to-face aan de keukentafel kan het een beetje te veel van het goede zijn. Pubers hebben behoefte aan zelfstandig worstelen, dubben, uitproberen. Ze willen een beetje afstand van papa en mama. Dat hoor ik vaak en blijkt dus ook te gelden voor mijn eigen kinderen. Point taken!

 

Uitnodigen ja, uithoren nee

 

Een moeder, een ouder, moet het anders aanpakken. De regie voor het gesprek bij het kind laten. Beschikbaar zijn, luisteren. Het gesprek op gang houden door te laten merken dat je ze hoort, zonder als een pitbull-interviewer vraag na vraag af te vuren (zó erg was ik niet, maar ik..eh..snapte de reactie van mijn kinderen wel. Ik geniet zo van het meebeleven van hun jeugd dat ik kan doorslaan in belangstelling. Loslaten betekent ook accepteren dat een steeds groter deel van hun leven voor jou niet vanzelfsprekend bekend is. Vind ik een dingetje, zeg maar). Liefst een beetje terloops, dat houdt het luchtig. Tijdens het afwassen bijvoorbeeld, of – in geval van een vaatwasser- in de auto, of tijdens een rondje met de hond. Als jouw aandacht ogenschijnlijk op iets anders gericht is, en er geen oogcontact is, praten pubers vaak makkelijker. Creëer momenten voor deze ‘light variant’ van een Echt Gesprek, slik je adviezen weg en geniet.

 

Dus. Ik ben nu heel bewust terug bij de Pan Soep Aanpak. De term heb ik gestolen van een vader die minder was gaan werken en vertelde dat hij het meest genoot van de momenten dat hij stond te koken. Terwijl hij in de soep roerde kwamen zijn kinderen een voor een af en toe wat vertellen. Iets over hun dag, wat leuk was of tegenzat. Hij humde wat, zei ‘Oh?’ of ‘Goh!’ en roerde in de soep. En dat was alles wat ze wilden.

,

ACT en de moeder die het goed bedoelde

Ik ben fan van ACT. ACT, Acceptance and Commitment Therapy, is een variant van cognitieve gedragstherapie die mensen leert hun negatieve gedachten en gevoelens toe te laten, zonder hun gedrag er door te laten bepalen. Met andere woorden, je kunt iets eng vinden en het toch doen. Je kunt richting geven aan je eigen leven, al piept een onzeker stemmetje in je hoofd ‘dit lukt nooit! Ze vinden je vast raar!’.

 

Onderstaand verhaaltje gebruik ik wel eens als ik met jongeren praat over hun drukke hoofd dat ze onophoudelijk plaagt met allerlei gedachten over hoe ze zouden moeten zijn en doen. Mijn bedoeling met het verhaaltje is om jongeren te laten zien dat dat stemmetje niet de vijand is en niet bestreden hoeft te worden. We kennen het allemaal. Het is het stemmetje van een goedbedoelende, soms niet al te handige ‘adviseur’ die ons probeert te behoeden voor gevaar.

 

Er was eens een vrouw die zwanger was van een jongetje. Ze liep op straat te genieten van het mooie weer en het getrappel in haar buik toen ze opeens iets heel ergs zag gebeuren. Ze schrok verschrikkelijk en rende overstuur naar huis. In de maanden die volgden kon ze het voorval maar moeilijk loslaten. Ze dacht de hele tijd aan het baby’tje in haar buik. Als hem maar nooit zoiets zou overkomen! Ze nam zich voor er alles aan te doen om haar zoontje te beschermen. Het jongetje werd geboren en was een vrolijk kind. Hij woonde met zijn moeder in hun veilige huis en was gelukkig. Toen hij wat ouder werd wilde hij naar buiten. ‘Nee, dat kan niet’, zei zijn moeder, ‘je bent te klein’. Hij speelde vrolijk verder en werd groter. Er kwamen kinderen aan de deur om hem te vragen mee te spelen. Hij keek hoopvol naar zijn moeder. ‘Nee, dat kan niet’, zei ze, ‘buiten is het te gevaarlijk’. Het jongetje groeide op en zat soms voor het raam. ‘Hier binnen ben je veilig’, zei zijn moeder, ‘om naar buiten te gaan moet je veel groter en sterker zijn. Daar is het veel te gevaarlijk voor jou. Je bent niet sterk genoeg.’ Op een dag was de moeder van het jongetje boodschappen doen. Ze was vergeten de deur dicht te doen. Hij stond voor de open deur en keek naar buiten. Met bonkend hart sloot hij de deur en draaide hem op slot.

 

Wat vind je van de moeder? vraag ik de jongeren dan. Wat zou je tegen het jongetje willen zeggen? En: houdt de moeder van het jongetje? Werkt haar aanpak?

 

De antwoorden zijn altijd hetzelfde en helpen de houding te bepalen die ik ze graag help aannemen ten opzichte van hun eigen angsten en onzekerheden. De moeder bedoelt het goed, maar helpt het jongetje niet. Wat ze ook gezien heeft, de wereld is niet alleen maar slecht en iedereen gunt het jongetje ook een leven buiten.

 

Ieder van ons heeft dingen meegemaakt. Dingen waar we van schrokken of die ons verdrietig of onzeker maakten. Onze interne adviseur heeft dat allemaal gezien en probeert ons te beschermen door vergelijkbare situaties te vermijden. Dat pakt hij af en toe een beetje klunzig aan. Ben je ooit uitgelachen tijdens een spreekbeurt, dan roept onze adviseur zo gauw je in de klas een beurt krijgt al ‘ze gaan je uitlachen!’ Om je maar vast te waarschuwen voor wat er kan komen. Een onvoldoende gehaald terwijl je goed geleerd had? ‘Jij kunt geen wiskunde’. Om teleurstelling voor te zijn. Heb je ooit een steek van jaloezie gevoeld omdat iedereen lachte om een grappige klasgenoot? Dan roept de adviseur de hele dag ‘zeg ‘ns wat! Doe ‘ns wat leuker!’ Zo probeert hij ons te helpen. ‘Je moet meer zus! Je moet zeker nooit meer zo!’

 

Vaak is het helemaal niet duidelijk waarom hij roept wat hij roept. En dat doet er ook niet toe. Hij bedoelt het goed, zoals de moeder in het verhaaltje. Maar hij kletst een hoop onzin. Ik probeer de jongeren met wie ik werk, en mezelf (!) te leren dat je je adviseur af en toe vriendelijk kunt bedanken voor de tip, maar het advies mag negeren. Naar buiten, de wereld in.

 

 

ACT is positief, praktisch en op actie gericht. Dat maakt het heel geschikt voor jongeren. Wil je meer weten? Kijk dan hier of neem contact op.

 

,

Chill, puber!!

Tegenwoordig kijk ik niet meer op van een scholier met burn-outverschijnselen. Elke dag krijg ik wel een mailtje over een congres of studiedag over depressies onder jongeren. Ik hoef niet te gaan, want ik ben er inmiddels bekend mee. Ik spreek regelmatig tieners die de lat zo hoog leggen dat ze er ziek van worden of die langdurig somber zijn omdat ze het allemaal niet meer weten. Uit een onderzoek van Metro afgelopen jaar bleek dat 63% van de jongeren tussen de 18 en 34 jaar een psycholoog heeft bezocht, voornamelijk vanwege stressgerelateerde klachten. Jongerenkrant 7Days kwam met vergelijkbare cijfers na hun onderzoek onder scholieren: 75% ervaart de druk als te hoog. Er wordt veel geschreven over de oorzaken van deze trieste trend en, geholpen door twintig jaar ervaring in het voortgezet onderwijs, wil ik wel even samenvatten wat er speelt. Zonder te pretenderen volledig te zijn.

 

Leave a comment

De gemiddelde millenial is chronisch overprikkeld. Daar komt het op neer. Zo gauw ze wakker zijn staan jongeren ‘aan’, zijn ze in contact met anderen, moeten ze reageren. Leave a comment, hup, schiet op! Ze zien de hele dag foto’s en posts voorbij komen van leeftijdgenoten die het allemaal voor elkaar lijken te hebben. Ze horen en zien dus de hele dag wat er mogelijk is. Hoe hun leven er ook uit zou kunnen zien, als ze het goed aanpakken. Zowel vóór als direct na een drukke schooldag gaat het bombardement van meningen en must haves door. Waar wij als volwassenen vroeger thuis even konden bijkomen van het Grote Vergelijken met klasgenoten, even gewoon ons onduidelijke zelf konden zijn, neemt de puber van nu zijn peer pressure letterlijk mee naar bed. Geen adempauze. Het bijhouden van de apps en posts kost uren per dag en niet meedoen lijkt geen reële optie. Het constante verkeer via social media is zo dwingend dat de meeste pubers zich daar niet aan kunnen onttrekken. Wie een puber heeft, weet het: de telefoon is er altijd. Vaak houden ze tijdens andere activiteiten al één oog op hun mobiel, maar als er even niks anders te doen is, dan sowieso. Elke mogelijke seconde stilte wordt opgevuld met een informatiestroom van buiten. Zo hoef je je nooit te vervelen. Zo is er nooit tijd voor reflectie. Zo kun je blijven wegduiken voor wat er van binnen gebeurt.

 

Het leven is maakbaar, of…?

In die veelheid van voorbeelden is het al bijna niet te doen om te bepalen wat jij wil, hoe je zelf wil zijn, wat bij je past. En onze kinderen lijken er steeds minder ruimte en steeds minder tijd voor te krijgen. Ik ben zelf een goedbedoelende ouder die het beste wil voor haar kinderen, dus ik wil niemand voor het hoofd stoten. Maar wat ik om mij heen zie vind ik soms heel pijnlijk. Ouders zijn zo bang dat ze hun kind tekort doen of een mogelijkheid onthouden, dat de hulptroepen al in de kleuterklas worden ingeschakeld. Er komt hulp voor jou, want jouw tempo is niet goed genoeg. Waar talent lijkt te ontbreken wordt ondersteuning aangevraagd. The only way is up. Vaak begrijpelijk en soms ook heel terecht, maar we slaan er wel in door. Alsof er maar één route is naar een fijne toekomst: die van een vlekkeloze schoolloopbaan, een mooie carrière en maatschappelijk succes. Wat dat dan ook mag zijn. Het is een wrange paradox: alles lijkt nu mogelijk, voor iedereen die er zijn best voor wil doen. En nu alles kan, wordt iedereen aangespoord hetzelfde te kiezen. Een theoretische opleiding, liefst vwo. Als het er misschien in zit, dan proberen we het er uit te halen. Helaas wordt soms vergeten dat een kind meer is dan zijn cognitieve capaciteiten. Dat niet elk kind dat het vwo aankan, daar ook op zijn plek is. De focus op presteren maakt kinderen blind voor wie ze zijn. Bovendien, ook kinderen die de vrijheid voelen om zelf een richting te kiezen weten het soms niet of willen soms iets niet. Omdat het pubers zijn. Omdat dat precies is waar de puberteit om draait: zoeken, draaien, uitproberen, ontdekken. Dat mag tijd kosten. Soms zijn de schoolresultaten dan even niet het belangrijkst. Veel ouders, en dus ook hun kinderen, durven de tijd niet te nemen. Hebben niet het vertrouwen dat de zoektocht iets oplevert. Dus spreek ik bezorgde tieners die ‘al drie weken’ niet lekker in hun vel zitten en gestreste kinderen die voor hun zelfvertrouwen afhankelijk zijn van een 8 gemiddeld. Ik neem iedereen serieus en zoek naar de juiste reactie op de zorg die ze uitspreken, maar steeds vaker komt die reactie hier op neer: Het mag. Het mag gewoon, dat je je even rot voelt, dat je het even niet weet. Het hoort gewoon bij het leven. Als je een keer minder scoort ben je niet minder waard. Niet elke dag hoeft een topdag te zijn en je hebt ook geen haast.

 

Vol, voller, volst

Daar zit je dan. Je bent 16. Je wil ook die must haves, dus je werkt 15 uur in de week in de supermarkt. Je wil goede cijfers halen, want dat is belangrijk. Dat hoor je de hele dag thuis, en op school. Je moet wel leuk reageren op de foto’s van je vrienden, en in de app meepraten over de laatste ruzie in de vriendengroep. Het examenjaar komt dichterbij en je weet nog niet zeker wat je wil doen met je leven. Of je weet het wel, maar uren werken levert toch niet de cijfers op die je nodig hebt om te kunnen ontspannen. Soms ben je helemaal niet blij of heel onzeker, maar dan krijg je veel likes op je laatste Instagrampost en dan gaat het wel weer even. Tot het niet meer gaat.

 

Het kan ook anders

Dit is wat ik wil: jongeren laten ervaren dat het wél kan. Even stoppen met dingen moeten en reageren op anderen. Even stilstaan bij wat er is. Niet jagen of stressen of jezelf vertellen dat je beter, slimmer, knapper, leuker moet zijn. Verdrietig, bang, onzeker, in de war zijn als je dat bent, en daar mee kunnen leven. Dus ik zoek naar de manier waarop. Hoe krijg ik die boodschap overgebracht? Ik geef mindfulnesstrainingen aan scholieren. Het is goed zoeken naar de vorm. Ik kom niet in lange paarse gewaden met een klankschaal naar de les, maar toch moet ik opletten. Welke woorden kies ik? Hoe maak ik de oefeningen toegankelijk voor jongeren? Leerlingen die zich opgeven vallen nagenoeg allemaal in dezelfde categorie: hardwerkende, serieuze, lieve, perfectionistische meisjes. Afgelopen week had ik vier afmeldingen omdat het proefwerkweek was. ‘ik wil leren hoe ik anders om kan gaan met de eisen die ik mezelf opleg, maar nu niet, want nu moet ik leren’. Een leerling die er wel was zei dat het niet gelukt was een oefeningen van 2 (TWEE) minuten te doen die week, omdat ze te druk was geweest met de toetsen. Ik ben blij dat ik de training mag geven, dat de noodzaak erkend wordt op mijn school. Dat deze meisjes, die in de klas geen aandacht vragen, gezien worden. Maar ik vind het jammer dat ze eerst bijna moesten omvallen. Dat ze naar een aparte training moesten, alsof ze uitzonderingen zijn. Kwetsbaarder dan alle andere mensen.

Ik zou willen dat deze meisjes, en al hun leeftijdsgenoten, regelmatig horen dat het goed is om soms even stil te staan. Even niks. Ademen. Naar binnen kijken. Dat ze vaak horen, thuis en op school, dat het normaal is dat je dan onzekerheid tegenkomt, of twijfel, of verdriet. Dat dat oké is en dat je daar mee om kunt leren gaan. Dat ze steeds weer horen, van allerlei soorten mensen, jong en oud, yogajuf of economieleraar, dat er vaardigheden zijn die je daarbij kunt inzetten. Dat iedereen daar iets aan heeft en dat het de normaalste zaak van de wereld is om daarmee te oefenen. Dat je kunt leren aardig te zijn voor jezelf. En het allerliefste zou ik willen dat onze pubers mede daardoor leren vertrouwen op zichzelf. En geloven dat ze linksom of rechtsom, snel of langzaam, hun plek zullen vinden.

Voor wie dit leest, dit is een oproep!

 

 

 

Ken jij de knoppen van jouw kind?

Mijn moeder wilde nooit de credits voor hoe mijn broer, zussen en ik waren opgevoed ( en we waren me toch een stel geslaagde exemplaren!). ‘Jullie lagen al makkelijk in de wieg,’ zei ze dan. Toen ik zelf kinderen kreeg leerde ik dat ze gelijk had. Je krijgt een kind met een karakter dat makkelijk of moeilijker is, dat wel of niet goed matcht met dat van jou en je partner, en dan doe je je best. Opvoeden is bij het ene kind een eitje, en bij het andere een constante uitdaging en aanslag op je zelfvertrouwen.

Mijn buurvrouw en ik hadden even oude kinderen. We zaten allebei in ons ienie-mini (eh…spelling?) voortuintje en gaven onze kinderen dezelfde boodschap: je mag tot het hekje. Vervolgens ging mijn buurvrouw een boek lezen en haar dochter lekker spelen, terwijl ik de rest van de middag het hekje barricadeerde om mijn zoon van de straat te houden. Wat gaat hier mis? dacht ik, en ik besloot mijn licht op te steken bij de cursus Mijn kind groeit op, voor ouders van kinderen van 0-4 jaar. Tijdens de bijeenkomst met als thema Belonen en Straffen hoorde ik dat je je kind best even op de gang mag zetten als hij stout is, evenveel minuten als zijn leeftijd in jaren. Een medemoeder die daar niet op bevestiging hoopte of iets wilde leren, maar haar wijsheid en kunde wilde etaleren, merkte op: ‘Toen mijn oudste dochter haar zusje sloeg, ging ik bij haar zitten– je kind altijd op ooghoogte toespreken!- en zei met klem ‘dit mag niet!’. En toen moest ze drie minuten op de gang. Ze heeft het dus nooit meer gedaan.’ Mijn broek zakte af. Mijn zoon stond elke dag meermaals op de gang, en dook dan daarna meteen weer op zijn zusjes. Niet om erop te meppen, maar het effect van zijn wilde spel was hetzelfde. Als hij op de gang stond, stond ik aan de andere kant met mijn volle gewicht tegen de deur te duwen om hem daar te houden. Hoe die Nanny die kinderen altijd zover kreeg dat ze bleven zitten op die naughty step was mij een raadsel. Mijn zoon ging de strijd aan tot de straftijd erop zat.

Nee, dan kindje twee. Ze lag in de box en vermaakte zichzelf. Ze sliep meteen door. Ze liet de boeken in de kast staan en het tuinhekje dicht. Als ze mijn eerste kind was geweest, was ik de irritante moeder van de cursus geweest, overtuigd van mijn parenting skills. Toch riep mijn dochter niet minder vragen op dan haar broer. Ze bleef weliswaar gewoon op de gang staan wachten als ze straf had, maar stond er dan zo onbewogen bij, met niets dan koele minachting op haar peutergezicht, dat we ons bij haar net zo goed afvroegen of we wel iets bereikten met onze strafmaatregelen.

Omdat ze zo verschillend waren, en zijn, maken onze kinderen andere ouders van ons. Dat is niet altijd te voorkomen. Mijn zoon was als kleuter vaak wild en druk en lomp. Hij wilde rennen en stoeien, klimmen en springen. Dus toen hij te klein was om alleen naar buiten te gaan, hoorde hij heel vaak ‘NIET!’ Niet op de bank, niet binnen rennen, niet slaan, niet zo hard roepen! Als we op een boerderij hadden gewoond in plaats van in de stad had hij ook figuurlijk meer ruimte gekregen. Zijn zusjes hadden praktischere hobby’s. Als zij deden wat ze het liefst deden, K3 imiteren of tekenen, hoorden ze niets anders dan ‘Goed zo!’ en ‘Mooi, schat!’ Dus door de beperkte oppervlakte van onze woonkamer en mijn aangeboren voorkeur voor rust en overzicht kreeg mijn zoon vaker een vermoeide of geïrriteerde moppermoeder dan mijn dochters.

Twee keer goed nieuws:

  1. Het is goed gekomen met mij en mijn zoon. Ik heb een beetje geleerd chaos toe te laten in mijn leven en hij is gekalmeerd. (Vertrouw op de puberteit om het teveel aan energie effectief uit je kind te halen!)
  2. Ouders en kinderen die niet van nature makkelijk matchen kunnen elkaar leren kennen. (….) Even ruimte om deze uitspraak te laten bezinken. Natuurlijk ken je je kind, maar als het vaak botst tussen jullie, weet je dan ook waar dat aan ligt? En zo ja, hoe je die situatie verandert?

De gebruiksaanwijzing

Als je een staafmixer hebt gekocht ga je die niet gebruiken als föhn. Hij werkt namelijk niet als föhn. Hopelijk weet je dat zonder dat je het hebt geprobeerd. Bij minder voor de hand liggende apparaten als een keukenmachine check je de gebruiksaanwijzing. Dit kan er wel in, hier gaat hij kapot van. Zo moet hij aan, en zo gaat hij sneller. Bij de geboorte van onze kinderen krijgen we helaas geen handleiding. Zo kan het gebeuren dat jij elke dag moppert over schoenen in de kamer, en dat ze toch niet worden opgeruimd. Verkeerde knop. Of dat jij ze onvermoeibaar probeert aan te zwengelen met je vragen en adviezen over school, zonder dat ze harder gaan werken. Verkeerde manier. En hebben jouw kinderen al ontdekt hoeveel gezelliger jij wordt als ze meteen komen eten als je ze roept? Weten ze hoe ze jouw humeur al beïnvloed hebben voor ze naar school gaan?

Wie zijn eigen gebruiksaanwijzing kent, kan anderen vertellen wat wel en niet goed werkt. Als je samen onder één dak woont is dat reuze handig. Nadenken over je eigen gebruiksaanwijzing en die van anderen geeft kinderen zelfinzicht en leert ze rekening te houden met andere mensen. Het helpt bij het vinden van antwoorden op de volgende vragen:

  1. Waar word ik blij, boos, bang of verdrietig van?
  2. Wat doe ik als ik me zo voel?
  3. Wat wil ik dan het liefst van mijn ouders/kinderen?
  4. Hoe komen ze daar achter?
  5. Welk effect heeft mijn gedrag op anderen?
  6. Hoe kan ik merken dat een ander zich rot voelt?
  7. Hoe kan ik anderen helpen zich beter te voelen?

De gebruiksaanwijzingen die je hier kunt downloaden zijn gemaakt voor ouders en kinderen ( > 10 jaar) die nogal eens botsen. Er is er een voor kinderen om in te vullen ( Mijn gebruiksaanwijzing voor mijn ouders) en, eerlijk is eerlijk, ook jij als ouder moet met de billen bloot (Mijn gebruiksaanwijzing voor mijn kind). Ze zijn verre van volledig. Het is een manier om te beginnen met het verbeteren van jullie relatie of de sfeer in huis. Je wint er twee dingen mee. Het eerste is dat een ingevulde gebruiksaanwijzing een uitgangspunt is voor een open gesprek. (‘Hé, je zegt dat je het meestal niet laat zien als je je rot voelt, en je zegt ook dat je wil dat ik je in zo’n geval even met rust laat. Nu ben ik bang dat ik dat misschien niet doe, omdat ik het niet aan je zie. Wat zouden we hier over kunnen afspreken? ) en het tweede is dat je allebei kunt laten zien dat jullie rekening met elkaar willen houden. Dat is een voorwaarde om verder te komen. Ook als het bij jou thuis een en al harmonie is, is het leerzaam en leuk om dit je kind te bespreken. Want eigenlijk zeg je ermee: ‘Ik wil het graag goed doen met jou. Ik wil graag weten wat je nodig hebt omdat je belangrijk bent voor mij.’ Altijd goed, toch?

Ik kan je vertellen: mijn kinderen waren zoals altijd mijn proefkonijnen en ik moest me toch even flink achter de oren krabben bij sommige van hun antwoorden. Daarnaast vind ik het heel handig dat we samen even goed stil hebben gestaan bij mijn don’ts:

‘Oh, jongens, hij is groot en rood, en jullie drukken er nu héél hard op!!’ Een blik, een kreun…en dan gaan ze hun jas ophangen. (Joehoe!)

 

 

 

Rommel te lijf zonder ruzie

Geweldloze communicatie als instrument, deel 1

Een uurtje collecteren laatst in mijn eigen straat bracht mij tot de troostrijke constatering dat het overal hetzelfde is. Bij elk gezin met kinderen was de hal een troep, met te veel jassen, lang niet allemaal netjes aan een hangertje. Schoenen vóór het schoenenrek in plaats van erop, alsof Sinterklaas al verwacht werd. Speelgoed, sportspullen, enzovoort. ‘Er wordt hier geleefd!’ schreeuwde elke hal eufemistisch.

Elke keer als ik thuis een nieuw slim opruimplan bedenk, roept mijn zoon spottend ‘bakjes op de trap!’ Ooit leek het zo makkelijk en logisch: ieder kind kreeg een bak in een eigen kleur die ik op de trap zette. Daarin verzamelde ik ( en zij, was het einddoel) de hele dag wat rondslingerde, zoals opladers, losse bladen schoolwerk, oortjes, haarelastiekjes. En dan namen ze hun bak ’s avonds mee naar boven en de volgende ochtend weer leeg mee terug naar beneden. Tot zover het plan. Heeft nooit gewerkt.

Afhankelijk van hoe druk ik ben, het verloop van de dag en de tijd van de maand, reageer ik op de volgende manieren op rommel:

  • Met een opruimrondje door het hele huis waar verder niemand last van heeft of blij mee lijkt te zijn
  • Met gezucht, geërgerd gemompel en boze blikken
  • Op opvoedkundig zeer verantwoorde wijze, door vriendelijk aan te geven wat thuiskomen in zo’n bende met me doet, te zeggen wat ik nodig heb en te vragen om medewerking
  • Op opvoedkundig zeer ongepaste wijze, door bijvoorbeeld alle troep op een Netflixend kind te gooien

Manier 1 is leuk op dagen dat je energie voor tien hebt, vertederd bedenkt hoe leuk je puberende kinderen zijn en ziet hoe hard de schatten werken aan hun volwassenwording. Manier 2 is slecht voor je eigenwaarde en manier 4 werkt niet en lucht ook maar héél kort op. Blijft over manier 3.

Manier 3 heet ook wel Geweldloos Communiceren en het is te gek. Het is even wennen, maar dan is het verbazingwekkend effectief. Geweldloos communiceren is ‘uitgevonden’ door de Amerikaanse psycholoog Marshall Rosenberg. Hij beschrijft dat we vaak verbaal geweld gebruiken als we communiceren. Daar bedoelt hij mee dat we door onze manier van praten elkaar vaak verwijten (lijken te) maken, waardoor we meer bezig zijn met onszelf verdedigen of de ander terugpakken dan met echt luisteren. In plaats van elkaar beter te snappen en samen verder te komen, belanden we in een welles-nietesstrijd. Dat kan anders. Wie geweldloos communiceert doorloopt 4 stappen:

  1. Je beschrijft wat je waarneemt (alleen de feiten, zonder oordeel).
  2. Je vertelt hoe je je daarbij voelt (een emotie dus, geen gedachte).
  3. Je geeft aan waar je behoefte aan hebt (wat iets anders is dan een bepaald gedrag verlangen).
  4. Je vraagt (het is een verzoek, geen eis) of iemand bereid is iets te doen.

Thuiskomen in een stal zou dan tot de volgende uitspraak kunnen leiden:

Jongens, kom eens even hier. Ik wil even iets zeggen. Ik kom nu binnen en zie hier vier paar schoenen staan. Het aanrecht staat vol spullen die jullie gebruikt hebben – voor tosti’s en gebakken eieren zo te zien?- en is niet schoongemaakt. De borden staan nog op tafel en ik tel drie jassen op de grond. Jullie zijn gaan zitten zonder op te ruimen.

(je gebruikt geen woorden als ‘alweer’, ‘altijd’, ‘troep’ ‘ondanks dat je weet dat ik dat niet wil’, etc. Probeer die woorden ook niet non-verbaal te uiten, door fronsend en zuchtend je verhaal te doen.)

Als ik dat zie voel ik me gekwetst en geïrriteerd.

(dit is best lastig. Vermijd woorden die eigenlijk een interpretatie van het gedrag/de houding van de ander zijn, zoals ‘niet serieus genomen’, ‘niet gewaardeerd’, ‘aangevallen’, ‘belachelijk gemaakt’, etc.)

Ik vind het belangrijk dat we hier thuis dingen samen doen, dat we met elkaar zorgen dat het hier voor iedereen fijn thuiskomen is. En dat we daarin rekening houden met elkaar. Voor mij is een opgeruimd huis belangrijk.

(het is een beetje zoeken naar taal die passend is bij pubers. In dat opzicht is ‘ik heb behoefte aan wederkerigheid en erkenning’ minder geschikt 😊. Het gaat hier in ieder geval alleen nog om wat jij nodig hebt, niet om de vertaling daarvan in concreet gedrag.)

Willen jullie mij en mijn humeur helpen en voor half zes ( een kleine marge vind ik altijd handig, anders krijg je ‘ja, zo meteen, want…’) schoenen, jassen en tassen opruimen en het aanrecht schoonmaken?

(de manier waarop je dit zegt bepaalt de reactie. Als het echt klinkt als een hulpvraag en niet als een verkapt verwijt dan werkt het. Promise.

Maar als er komt ‘Nee, maak je niet zo druk om die jassen, ik ben nu bezig’ verander dan niet van aanpak, maar vervolg met ‘Kun je me zeggen wanneer je dit met mij verder kunt bespreken? Ik wil graag samen een oplossing zoeken.’ Zo blijft de lijn open. Als jij de verbinding kunt behouden, zal je kind erin meegaan.)

Ik snap als geen ander de lezer die nu denkt ‘Ja, doei, ik ga niet vragen of ze alsjeblieft willen overwegen hun zooi op te ruimen, sommige dingen hebben ze gewoon te doen’. Helemaal mee eens. Dit is maar een voorbeeld en misschien werkt jouw kind gewoon mee als hij of zij even aan de afspraken herinnerd wordt. Geweldloze communicatie is super nuttig op momenten dat je in een spiraal van ‘ik erger me aan jou, jij ergert je aan mij’ bent beland. Dan lukt geen enkel gesprek omdat er geen vertrouwen lijkt te zijn. Dan reageert je kind ook niet zoals je wil op een – voor jou – redelijke eis of vraag. Je moet iets doen om niet meer tegenover elkaar te staan, maar naast elkaar, om weer contact te voelen.

Het begint met eerlijk zijn. Boos zijn is makkelijk, maar voelen wat daaronder zit is soms een beetje lastiger. Ja, ik wil dat mijn kinderen opruimen omdat ik een opgeruimd huis gezelliger vind, maar dat is het niet alleen. Ik denk ook: ‘Ja hé, dus ik mag wel elke keer alles uit mijn handen laten vallen als jullie iets van me nodig hebben, maar als ik 500x vraag om die schoenen op te ruimen, dan is het nog te veel moeite!?’ Hm, dat gaat over iets anders. Over mijn inzet die misschien niet gezien wordt en hoe dat voelt. En als ik dat er niet bij zeg, dan weten ze dat niet. Dus gooi het op tafel. Ik ben een mens, ik voel me soms rot, ik heb dan iets nodig, namelijk…

Probeer het uit en kijk wat er gebeurt. Bij een huis vol troep, onenigheid over school, discussies over mobieltjes of wat dan ook. Niet mopperen, maar even ademhalen en dan rustig vertellen wat je voelt en waar je behoefte aan hebt. Succes! Oh, en trouwens, het werkt niet alleen bij kinderen hè? Ook heel effectief bij andere familieleden, collega’s, je partner…

(wordt vervolgd)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De puberteit: veranderfase voor ouders

Hoe laat ik mijn puber los en hoe los laat ik mijn puber?

Ik ben verschrikkelijk dankbaar voor mijn gezin en daar sta ik regelmatig bij stil. Ik probeer dat niet al te zichtbaar te doen. (‘Wat sta jij daar nou te doen, mam? Sta je nou te huilen?!’ Echt gebeurd). Mijn top drie van momenten waarop ik altijd overspoeld word door een dankbaarheid die nederig maakt:

  • Als ik de was sta te vouwen. Het feit dat ik vijf stapeltjes mag maken raakt me altijd. Het gaat dwars door de ergernis over de eenzame sokken en de hardnekkige vlekken heen.
  • Als we met z’n allen in de auto zitten. Mijn hele leven in één zo’n cocon. In mijn hoofd hoor ik de Ierse Christy Moore zingen:

When we started this voyage,
there was just me and you,
Now, gathered round us,
we have our own crew’
( the Voyage)

  • Als ik op vrijdagavond met mijn dochters onder een dekentje op de bank zit (zoonlief is een paar jaar terug afgehaakt, helaas). Je moet van goede huize komen om mij dan van die bank af te krijgen. Noem me gerust ingedut, burgerlijk of saai, maar mooier wordt het voor mij niet.

Het lege nest syndroom voel ik al aankomen sinds de jongste naar groep 3 ging. De tijd gaat mij te snel, waarschijnlijk ben ik daarom zo’n compulsieve Albelli-fotoplakker. In dat kader is deze periode, met drie kinderen in de puberteit, een uitdaging voor mij. Ik moet loslaten. Mijn rol verandert en onze relatie ook. Waar ze vroeger het liefst nog op schoot kropen als ik op de wc zat, lijkt nu naast elkaar tandenpoetsen al bijna te intiem. Het slot op de badkamerdeur moest er komen en wordt met overgave gebruikt. Gisteren stond ik uitbundig te zwaaien bij de toneelochtend van mijn trotse kleuter, nu mag ik niet eens langs de pizzeria fietsen waar hij – inmiddels met havodiploma op zak-werkt, laat staan dat ik naar binnen ga om iets te bestellen. Vroeger was de eerste bladzijde van het vriendenboekje voor mij, vandaag riskeer ik ruzie als ik een foto van mijn dochter like. Het is goed dat ik er ben, maar graag niet te dichtbij, en zeker niet te zichtbaar. En weet je wat? It’s okay! Ik vind het moeilijk, omdat ik zo van dat andere soort moederen genoten heb en nu al opzie tegen de volgende fase, waarin ze nog minder thuis zijn. Maar ik vind het ook fijn, want het betekent dat mijn kinderen gezond opgroeien. Dat ze precies doen wat ze moeten doen: een beetje afstand nemen van hun vader en mij, zelfstandig worden. Het is zoeken voor hun, en aanpassen voor ons.

De veranderende relatie

In de puberteit zijn jongeren meer dan in een andere fase gericht op hun leeftijdsgenoten. Het zoeken naar aansluiting bij de peergroup hoort bij het proces van ontdekken wie je bent en loskomen van je ouders. De veranderingen in de hersenen laten dit mooi zien. ‘Hun brein reageert heftiger op beloningen en bedreigingen in het sociale domein.’ (Puberbrein binnenstebuiten, Nelis & Van Sark) Het hoort dus zo, dat ze continu gericht zijn op wat vrienden en klasgenoten vinden en doen, ook al betekent dit tegenwoordig dat ze hun telefoon niet los durven laten uit angst een post te missen. En het is ook normaal dat de reacties van die vrienden op hun eigen foto’s en berichten van levensbelang lijken. Belangrijker dan iets dat jij met je kind wil delen. Als ouder voel je hoe je invloed afneemt, althans ogenschijnlijk. Veel ouders vinden dit lastig. Als een kind zich terugtrekt, minder mededeelzaam wordt, minder zin lijkt te hebben in gezamenlijke activiteiten, terwijl het deel van zijn wereld dat voor jou onbekend is groeit, kun je als ouder de neiging hebben te gaan duwen of trekken. Mopperen over de veranderende houding of op een onhandige manier zeuren om contact of informatie. Hou dit in je achterhoofd:

1. Het verschuiven van de aandacht is een gezonde, natuurlijke ontwikkeling. Jouw moeilijk te bereiken of ineens onherkenbare kind zit midden in een belangrijk groeiproces.

(Dus als mijn zoon mij op vrijdagavond links laat liggen onder mijn dekentje om te gaan chillen met vrienden, denk ik niet ‘boehoe, wat ongezellig!’ maar ‘boehoe, wat jammer!’ én ‘Goed zo, jongen!’)

2. Ook al lijkt het niet zo, jouw kind hoort je commentaar en voelt je blik. Als je iets wil veranderen aan jullie relatie, let dan op je toon. Niet (aan)klagen, maar vragen.

Niet: ‘Doe nou eens niet altijd zo ongezellig!’ / ‘Leg dat ding nou eindelijk een keer weg!’ / ‘Het is hier geen hotel!’

Maar iets als: ‘Ik mis je. Ik vind het mooi om te zien hoe je je eigen leven krijgt, maar soms voelt het alsof we langs elkaar heen leven, en dat vind ik rot. Ik wil eigenlijk gewoon graag een beetje tijd met jou! Zullen we af en toe samen koken / de hond uitlaten / een film kijken / een spelletje doen, gewoon met z’n tweeën?’

De veranderende rol

Een puber opvoeden is een kwestie van loslaten met beleid. Steeds een beetje ruimte geven, en dan kijken of je kind er mee om kan gaan. Wie zich verantwoordelijk gedraagt, krijgt steeds meer vrijheid. Wie dat nog niet kan, komt grenzen tegen. Dat zal af en toe botsen, en dat hoort erbij. Ik zie regelmatig de volgende twee (versimpelde) houdingen:

  • Ons kind kan nog niet omgaan met vrijheid, dus wij bepalen hoe alles gaat. We laten niks los.
  • Ons kind wordt steeds boos en dat vinden we niet leuk. Hij zoekt het dan maar zelf uit/we geven dan maar toe. We laten alles los.

Als ouder van een puber hoef je niet te schrikken van een boos kind. Je gaat in gesprek en afhankelijk van hoe dat gaat pas je iets aan in je afspraken, of niet. De invulling van de opvoeding verandert, niet de intensiteit. Je bent niet meer de chauffeur, maar de rijinstructeur. Je begeleidt je kind al pratend door het verkeer, wijst op naderend gevaar, maar laat ze zelf sturen. Als je denkt dat je kind uit de bocht gaat vliegen, trap je op de rem. Zo’n ingreep is niet leuk, en je kind zal balen dat het weer langer duurt voor hij zelf de weg op kan, maar het is nou eenmaal je taak de lessen pas te stoppen als je kind het rijden beheerst. Na een slechte les is er geen één rijinstructeur die zegt ‘Ga maar achterin zitten, ik rij wel weer’ en hopelijk ook geen die uitstapt en zegt ‘Veel succes, dit wordt mij te gevaarlijk’. Soms jeuken mijn handen om het stuur over te nemen en klamp ik me vast aan het handvat van mijn autodeur. Maar mijn kandidaten rijden echt zelf naar de proefwerkweek. Soms wil ik uitstappen en de joviale figuur zijn die roept: ‘Yo, veel plezier! Hou ’t recht, haha!’ maar neem ik toch mijn rol en verbied de routes waar je achttien voor moet zijn.

Ik vind het een prachtig proces om mee te maken, en soms heel vermoeiend. Deze rijinstructeur stapte na een dolle rit afgelopen week ook klam van het zweet uit. Maar we staan nog. Morgen verder.

 

 

 

Kind in de knel tussen De Norm en Het Plaatje

Welke dialoog is waarschijnlijker?

‘Oh, wat leuk, ben je zwanger? Weet je al wat  ‘t wordt? Nou ja, als ‘t maar gezond is, toch?’

‘Nou, eh…gezond, ja, en een  gymnasiast graag.  Een gemotivéérde gymnasiast!’

of

‘Oh, wat leuk, ben je zwanger? Weet je al wat ‘t wordt? Nou ja, als ‘t maar gezond is, toch?’

‘Ja, precies. Wij zijn zo blij en zo benieuwd naar ons kind, hoe ‘t is, op wie hij of zij lijkt!’

Ik gok de tweede. Sterker nog, de vragensteller zou waarschijnlijk schande spreken van de eerste aanstaande moeder. Ik geloof ook niet dat er veel aanstaande moeders zelfs maar zo denken. Maar een paar jaar verder is alles anders. Het Grote Vergelijken begint al bij het kruipen en brabbelen, en tegen de tijd dat kinderen naar groep 1 gaan zijn ouders doordrongen van De Norm. Vanaf de eerste afspraak bij het consultatiebureau word je om de oren geslagen met grafieken en statistieken die meten hoe je kind het doet; of hij of zij groeit, eet, slaapt, praat, beweegt, leert en presteert zoals het hoort. Dat gaat door tot je kind van school is. En daarna gaat het ook door, maar in een andere vorm. Dan zijn er geen wegingen, metingen, CITO’s of NIO’s meer, maar nog steeds buren, vrienden, en kennissen die vragen hoe het met je kind gaat en daar iets van vinden. Afhankelijk van jouw sociale kring is op je 18e een baan vinden bij de plaatselijke bank fantastisch of suf, en de wereld rondreizen in je eentje een onmisbare levenservaring of volslagen idioot, want bloedlink. Dus ook zonder De Norm blijft altijd de norm van de groep bij wie je je thuis voelt, of bij wie je graag zou willen horen.

Dan is er nog Het Plaatje. Het beeld dat je hebt van je kind, en van jezelf als ouder. Dat beeld is gebaseerd op je eigen ervaringen en bepaalt je verwachtingen.  Ook de hoogzwangere moeder die in alle eerlijkheid zegt ‘ik ben zo benieuwd wie mijn kind is’ heeft een beeld van haar kind, en van haar toekomstige relatie met haar kind. Bepaalde dingen van vroeger zal ze met haar eigen kinderen herhalen, en andere zal ze juist heel anders doen. Ze ziet zich al langs het hockeyveld staan. Zoals haar vader bij haar langs de lijn stond, zo zal zij het ook doen. Ze gaat zeker met haar kind knutselen en koekjes bakken, zoals de moeder van haar vriendinnetje vroeger deed. Om de moeder te kunnen zijn die ze wil zijn, moet het kind wel een beetje lijken op het kind in haar plaatje.

Ik was een leeskind. Ik speelde ook wel buiten, maar was toch het gelukkigst verstopt in een boek. De herinnering aan sommige boeken uit mijn jeugd is me even dierbaar als vakantieherinneringen uit die tijd. Dus je snapt dat ik niet kon wachten om mijn kinderen ook zo te zien genieten van mijn lievelingsverhalen. Zoonlief las alleen de atlas en mijn dochters waren heel fanatiek, tot ze het trucje beheersten. Toen was lezen ineens niet zo boeiend meer. Ik heb het niet zomaar opgegeven hoor. Voorgelezen tot ik een ons woog, eindeloos boeken aangeboden… Er werd wel wat gelezen, maar het is niet nodig geweest op hoge poten naar de bibliotheek te stappen om het maximumaantal boeken per week ter discussie te stellen. Helaas. Mijn Plaatje moest bijgesteld: mijn kinderen houden alle drie meer van wiskunde.

Mijn broer was wild van programmeren vanaf de introductie van de computer. Waar mijn ouders mijn liefde voor boeken begrepen en stimuleerden, was de aanschaf van een computer voor zijn hobby onbespreekbaar. Hij kon kiezen uit een teamsport of muziek. Mijn ouders hoopten tegen beter weten in, want hij was noch sportief noch muzikaal, dat hij op die manier een beetje zou opschuiven in de richting van Hun Plaatje. Waarschijnlijk heeft mijn vader even vaak ‘Ga anders even naar buiten, daar zijn ze aan het voetballen’ tegen hem gezegd als ik mijn kinderen een boek ‘dat hun leven zou veranderen’ heb aangeboden.

Ook heb ik een tijdje flink met mijn Plaatje (van een Goed, Gezellig Gezin) geruzied voor ik kon zien dat ik twee kinderen heb die het nodig hebben elke dag een paar uur alleen op hun kamer te zitten, ook als het huiswerk gedaan is. Ze zijn niet somber of zielig of asociaal, maar laden hun batterij op op hun eigen manier, die gewoon totaal niet op de mijne lijkt. Toen mijn buurjongen laatst 9 werd, kreeg hij van ons een boek (tja, dan maar een deur verder proberen…). Eén van zijn vriendjes zat binnen vijf minuten verdiept in het boek en vergat het feestje. Vond ik heel leuk, en herkenbaar. Zijn moeder keek minder vertederd. Bezorgd misschien, of geïrriteerd, omdat haar zoon niet met de andere kinderen speelde. We sturen onze kinderen niet alleen bewust of onbewust in de richting van ons plaatje omdat we het leuk vinden iets van onszelf te herkennen, maar vooral omdat we denken dat we onze kinderen daarmee helpen. Dat we weten wat goed is voor ze. Maar we kunnen helemaal niet weten wat voor ons kind de juiste hobby, de juiste vriendenkring, de juiste houding of baan is. We kunnen ons kind alleen leren dat hij de juiste persoon is om die dingen te kiezen.

Tussen De Norm en Het Plaatje ervaren kinderen soms heel weinig ruimte. Krijgen ze soms ook echt heel weinig ruimte. Er zijn zoveel normen om aan te voldoen, en zoveel plaatjes. Van ouders, docenten, klasgenoten en vrienden. Om over het internet nog maar niet te spreken. Je zou er gek van worden. Je zou bijna geen kans meer zien te ontdekken wie je bent. Bij veel ouders die ik spreek voel ik de druk van hun Plaatjes. Ook als de kinderen wel De Norm halen, is het voor veel ouders te eng hun kinderen te laten zoeken, en soms te laten worstelen, om zichzelf te leren kennen. Uit betrokkenheid sturen ouders regelmatig te veel. Papa’s en mama’s: wat onze kinderen nodig hebben is ons vertrouwen. In hun. Wij moeten als ouders met al onze goede bedoelingen terug naar de nieuwsgierigheid van de zwangerschap: niets liever willen dan ontdekken wie onze kinderen zijn en meer dan bereid onvoorwaardelijk van ze te houden. Dan vullen ze de rest zelf wel in.

 

Vraag:

  1. Sta eens bewust stil bij Het Plaatje dat je hebt van je kind. Hoe zie je hem of haar het liefst? Wat vertel je het liefst aan vrienden over je kind? Wat maakt je trots? In hoeverre voldoet je kind aan jouw plaatje?
  2. Bedenk waar je het meest moeite mee hebt. Waar mopper je over? Welk onderwerp is steeds punt van zorg? Heeft dit te maken met De Norm of je Plaatje? Help je je kind door hier te sturen, of help je vooral jezelf?
  3. En de belangrijkste en moeilijkste vraag: durf je je kind het vertrouwen te geven dat hij zijn weg vindt, ook als die weg langer is dan verwacht of een andere kant op gaat dan je dacht?