,

Een motivatieprobleem = een motivatieprobleem, of toch niet?

In de top drie van wanhoopskreten van ouders van pubers staat al sinds jaar en dag deze: waarom gaat mijn kind nou niet gewoon aan het werk!?

Ik hoor hem op school, ik hoor hem van vriendinnen en ik hoor hem wel eens uit mijn eigen mond komen. Het is ook bijna niet te doen, als ouder: steeds weer zien hoe je kind NIET doet wat juist een heel goed idee zou zijn, volgens jou. Direct na school aan de slag gaan met het huiswerk, bijvoorbeeld, of af en toe kijken wat er volgende week op het programma staat en daar dan een conclusie aan verbinden. Dat je misschien even moet wachten met het nieuwe seizoen van Suits, of zo.

Het ligt ook zo voor de hand om dan te zeggen dat je kind niet gemotiveerd is, want als er iemand een gebrek aan motivatie uitstraalt is het wel je favoriete bankhanger, toch? Nou…zo simpel is het niet. Iets wat er uitziet als een gebrek aan motivatie kan uiteenlopende oorzaken hebben, waarvan sommige makkelijker te herleiden zijn dan andere. Wat de meeste mensen bedoelen als ze het hebben over hun ongemotiveerde kind is dat hun kind niet of te weinig uit zichzelf in beweging komt, geen lol beleeft aan leren en onder zijn niveau presteert. Het onderstaande lijstje komt uit het boek Onderpresteren (Saskia Bruyn en Monique Schaminée) en geeft mogelijke andere oorzaken voor wat we zien:

Verschijnsel 1 Chaotisch gedrag – Mogelijke oorzaak: puberbrein

De prefrontale cortex, verantwoordelijk voor impulsbeheersing en planmatig handelen, is nog niet optimaal ontwikkeld. Het is dus voor een puber veel lastiger dan voor ons om zich aan gestelde doelen te houden, zelfs als ze die doelen wel belangrijk vinden. Daardoor verliest doelmatig handelen het van kortetermijnwinst, dus liever even naar het nieuwste YouTube filmpje kijken dan braaf woordjes herhalen.

Verschijnsel 2 Toont geen studievaardigheden – Mogelijke oorzaak: studievaardigheden ontbreken of worden niet ingezet.

Misschien heeft je kind deze vaardigheden nooit nodig gehad, omdat ze probleemloos door de basisschool zijn gefietst, en ze dus niet hebben leren leren. Sommige kinderen (zoals kinderen met autisme, ADD, ADHD) hebben van nature meer moeite met executieve functies. Maar het kan ook zijn dat je kind de vaardigheden best beheerst, maar ze niet gebruikt omdat hij de noodzaak nog niet gevoeld heeft.

Verschijnsel 3 Startprobleem/uitstelgedrag – Mogelijke oorzaak: faalangst

Sommige kinderen die niet aan het werk gaan, doen dat niet omdat ze niet willen, maar omdat ze bang zijn te falen. Dit kan allerlei redenen hebben: slechte ervaringen in het verleden, druk van thuis, maar ook minder voor de hand liggende redenen.

Verschijnsel 4 Slakkengang – Mogelijke oorzaak: perfectionisme

Deze kinderen verliezen zich vaak in voorbereiding of details, maken prachtige schema’s of samenvattingen, maar zijn te laat met het uiteindelijke werkstuk. Hebben wel de capaciteiten maar hebben toch vaak de toets niet af. Bang niet aan hun eigen hoge eisen te voldoen, doen ze liever iets niet dat iets niet goed.

Verschijnsel 5 Kan niets zelf – Mogelijke oorzaak: aangeleerde hulpeloosheid

Kinderen kunnen geleerd hebben dat ze het zonder hulp niet kunnen. Doordat ze, door allerlei goede bedoelingen, altijd geholpen, ondersteund en begeleid zijn door hun ouders. Doordat ze hulp of bijles hebben gehad en doordat er bij elke frustratie iemand was om het probleem mee op te lossen. Deze kinderen hebben nooit geleerd zelfstandig met tegenslag om te gaan en te vertrouwen op hun eigen kunnen.

Verschijnsel 6 Nergens zin in – Mogelijke oorzaak: depressie

Er kan een duidelijk aanwijsbare oorzaak zijn voor een gebrek aan motivatie dat niet alleen school betreft: liefdesverdriet, ruzie thuis of met vrienden, grote veranderingen in de thuissituatie. Dan ligt de focus op het verwerken van iets anders. Duurt het heel lang of is de oorzaak onduidelijk, dan kan er ook sprake zijn van een depressie.

De achterliggende oorzaak voor de slechte werkhouding bepaalt wat een kind van je nodig heeft. In het eerste geval positieve procesbegeleiding om te leren werken aan concrete, haalbare doelen. In het tweede geval praktische tips over plannen, samenvatten of uit je hoofd leren. In de overige vier gevallen begrip en een luisterend oor, om te beginnen. Maar dan moet je wel eerst weten waar bij jouw kind de schoen wringt.

Dus: een kind dat zuchtend op de bank hangt met zijn telefoon kan om heel verschillende redenen op die bank terecht gekomen zijn. Om te achterhalen wat bij jouw kind de reden is voor zijn gedrag heb je twee dingen nodig: een goede verstandhouding, zodat gedachten en gevoelens besproken kunnen worden, en oog voor de manier waarop je kind leert en keuzes maakt. En dit in de levensfase dat veel kinderen liever minder met hun ouders delen dan méér en al snel vinden dat je je te veel met ze bemoeit. Inderdaad: een uitdaging!

Gedrag is een taal. Het vertelt ons iets. Dat vind ik zelf altijd een goeie om te onthouden. Als je kind niet aan het schoolwerk wil beginnen, heeft hij of zij daar een reden voor. Want gedrag is niet alleen een taal, het heeft ook een functie. We doen alleen maar dingen die iets opleveren. Dat geldt ook als we ons ‘niet kunnen vóórstellen wat je in hemelsnaam zou kunnen opschieten met de hele dag wezenloos naar dat ding kijken!’ Soms, bij een rechttoe-rechtaan-gevalletje-geen-motivatie vermijdt een kind alleen maar het gevoel van verveling dat bij (noem eens wat) scheikunde hoort. Als je kind ‘gewoon’ geen zin heeft, omdat veel tieners met name geïnteresseerd zijn in zaken die niet in boeken staan, dan spreek je regels af en stel je grenzen en geef je eindeloos aan wat er al goed gaat. Dan herhaal je drie jaar lang dat iedereen soms mét verveling aan de slag moet, omdat sommige dingen nou eenmaal belangrijk zijn. Dat is niet leuk, maar dat heet opvoeden en op een gegeven moment snappen ze hoe het werkt.

Maar er kan dus ook iets anders aan de hand zijn. Het kan ook zijn dat je kind zijn huiswerk blijft uitstellen of bij het minste of geringste opgeeft omdat er iets anders in de weg zit. Misschien wordt je kind tijdens het leren overvallen door twijfel over zijn capaciteiten of paniek over de onoverzichtelijke hoeveelheid werk. Misschien weet je puber alleen maar dat hij heel snel van die angst en stress af wil, en grijpt hij elke afleiding dankbaar aan om weg te gaan bij dat gevoel. En misschien gebeurt dat grotendeels onbewust. In dat geval is het eindeloze gescroll op de telefoon zijn wapen tegen gevoelens waar hij zich geen raad mee weet. En met jouw aansporingen om aan de slag te gaan of jouw gemopper over het uitstelgedrag sla je hem misschien zijn wapen uit de hand zonder zicht te hebben op zijn strijd.

Neem daarom niet te snel aan dat de verveelde houding sowieso op verveling duidt en dat je kind geholpen is met een verbale schop onder zijn gat, een aai over zijn bol of een door jou gemaakte planning. Stel vragen en laat veel ruimte voor antwoorden. Toon begrip als je kind dingen anders ervaart dan jij zou doen. Probeer je een beeld te vormen van wat je kind je vertelt met zijn gedrag. Laat zien dat je het echt wil begrijpen. Het actieplan komt pas daarna.

Opvoeden en opgroeien, ze vallen allebei af en toe niet mee. Gelukkig doen we het samen.

De scholen zijn weer begonnen!

Wat er zo leuk is aan het onderwijs, naast al het andere? Dat je elk jaar een nieuwe start kunt maken. Drie weken geleden, hier thuis, maakten vijf mensen zich klaar voor een nieuw schooljaar: twee ouders, drie kinderen.

V&D was net failliet verklaard toen mijn jongste naar de brugklas ging. Toen een klein drama, want waar moesten we naar toe voor schriften en kaftpapier?! Ik herinner me de uren op de schoolcampus nog uit mijn eigen jeugd, en het kopen van schoolspullen was bij de oudste twee een dagvullend uitje geweest. Alleen die agenda al, een verkeerde keuze betekende sowieso een valse start. Goed, ook nummer drie vond het perfecte kaftpapier, met matching washi tape en etiketten, bij de HEMA. Zij kreeg van school de verplichte Plenda, maar dat was natuurlijk té oneerlijk, dus ze kreeg van ons ook nog een agenda.

We zijn een paar jaar verder. Eén HBO’er die niets nodig heeft behalve een lekkende pen, en twee meiden die op de allerlaatste dag nog even op en neer racen voor wat kaftpapier en een voordeelpak saaie schriften. Over agenda’s maakt niemand zich meer druk. Willen jullie nog washi tape, jongens? Of markeerstiften? ‘Mam, serieus, we zitten niet meer in de brugklas.’ Oh ja. Maar, haha, alles is nog niet voorbij. Ze schrijven op alle schriften héél netjes hun naam en overleggen welke kleur schrift bij welk vak hoort. Deze mama geniet op afstand.

In de laatste vakantieweek komen de meeste docenten alvast even kijken. Even wennen, wat kletsen, beetje kopiëren. Het is mijn 21e jaar, dan mag het ook wel voelen als familie, toch? De begroetingen, de verhalen, het is een warm bad.

De roosters verschijnen op de laatste zaterdag op Magister. Commentaar en advies vliegt over de tafel: ‘Van de Bos? Alleen maar PowerPoints en die heb ik boven nog.’, ‘Heb je Jansen?! Je gaat slapen, sowieso.’, ‘Mevrouw Vink! Aah, zij is echt superlief!’. Ik vraag me hardop af hoe mijn leerlingen mij zouden typeren. Mijn zoon, stellig: ‘Easy: superraar.’ Dan bekijken mijn man en ik onze klassenlijsten. ‘Leuk, leuk, ken ik niet, meteen vooraan zetten, da’s echt een leuke vent!, ken ik niet…hm..beetje apart meisje..Deze ouders mailen in de eerste week al..’. Etcetera. Dat vinden de kinderen dan toch wel vreemd. Hoezo gaan jullie al die leerlingen bespreken?!

En dan de eerste lesdag. Leerlingen lijken een jaar ouder of een kop groter na zes weken vakantie. Wat is er in de zomer gebeurd? Ze worden doodgegooid met kennismakingsspelletjes, maar de kat laat zich nog niet uit de boom kijken. Een bekende leerling lijkt in een nieuwe klas ineens iemand anders. Doubleurs zijn hun bravoure verloren of zetten meteen de toon. Ik neem me altijd van alles voor, en blijk dan na een paar weken gewoon weer mezelf.

Het duurt maar even, een week of twee, voor de brugklassers iets langer. En dan draait de machine weer, ebt de ijver weg of slaat de stress toe, vinden de klassen hun voorzichtige vorm. Doet iedereen weer gewoon.

Hier thuis kunnen we al afvinken:
• de eerste ophef over ‘vies brood’, en wat allemaal ongeschikt is als lunch (‘Dit kan ik gewoon écht niet eten.’)
• een discussie over wanneer de bedtijden aangepast worden, bij een nieuw schooljaar of een verjaardag,
• en een vlammend betoog van mijn dochter over verantwoordelijkheid, met als doel de vakantieregeling over het telefoongebruik in schoolweken voort te zetten.

Ja, de scholen zijn weer begonnen!

,

Eén portie pijn en pech, alstublieft!

Newsflash: het leven is niet maakbaar. Bij een normaal leven hoort af en toe een tegenvaller, een dip, of soms zelfs iets wat heel veel pijn doet. Ik spreek regelmatig jongeren die niet lekker in hun vel zitten. Soms beginnen ze te vertellen en kost het me moeite niet over de tafel te springen om ze een dikke knuffel te geven. Wat kinderen af en toe moeten meemaken is niet mis. Maar even vaak hoor ik het aan en denk ik: wat jij nu beschrijft, dat heet gewoon leven. Met ups en met downs, daar word je een compleet mens van. Waar hebben onze kinderen het idee vandaan dat er iets mis met je is als je even niet helemaal happy bent?

 

Van ons, denk ik. Als ze ‘maar’ gelukkig zijn, toch? Alsof dat niet zo veel gevraagd is, permanent gelukkige kinderen. We doen alles voor ze, helpen waar we kunnen, staan joelend aan de zijlijn van hun leven, en het enige wat we terugvragen is dat ze lekker meedoen met de rest en…gelukkig zijn. En van social media, waar we allemaal alleen maar laten zien hoe fantastisch ons leven is, en hoe knap en succesvol we zijn, de klok rond gezond etend, sportend, genietend van ons leven, verliefd op onszelf en onze naasten #lovemylife.

 

De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’.

 

Ik hoor keer op keer twee dingen: je mag je niet rot voelen en als het toch zo is mag je het niet laten merken. Je mag je niet rot voelen. Dat is blijkbaar wat we onze kinderen leren. Of nou ja, het mág wel, maar dan moeten we er wel meteen iets aan dóen. Wij als ouders (ik hoor daar bij) verdragen niet dat onze kinderen verdrietig, boos of bang zijn. We schrikken daar van. We willen het niet zien. Dus óf: ‘Stel je niet aan. Schouders eronder!’ of we trekken ten strijde: naar de hockeycoach voor een plek in een ander team, naar de juf voor een andere plaats in de klas of een ander advies, naar ouders van klasgenoten voor overleg over een verloren vriendschap. Of linea recta naar de huisarts voor een verwijzing naar een psycholoog. De boodschap is ‘het is er niet’ of ‘we pakken het aan, en dan is het er niet meer’. Ik pleit voor iets anders. Ik wil dat we onze kinderen leren dat verdriet, pijn en angst bij het leven horen. Dat het niet slecht met je gaat als je je een tijdje slecht voelt. Dat alle mensen, iedereen die ze elke dag thuis en op school zien, twijfel, onzekerheid en frustratie kennen. Het is supernormaal. Je kunt er best over praten, het lucht vaak op maar het lost niet alles op. En dat hoeft ook niet.

 

Begrijp me goed, ik ben zeker niet tegen hulp vragen of bieden. Ik ben blij als iemand door mijn steuntje in de rug lichter de deur uit gaat. Jongeren die zich verontschuldigen voor hun gevoel (en dat doen ze! ‘Ik weet wel dat andere mensen veel ergere dingen hebben..’) zeg ik altijd dat er geen weegschaal bestaat die pijn weegt en zegt of jouw verdriet groot genoeg is om te komen. Jij hebt er last van en je wil je anders voelen. Het vergt moed om dat te durven zeggen. Wel hoop ik voor de toekomst dat mensen, jonge mensen voorop, leren open te zijn over wat ze dwars zit en wat zwaar weegt. Op de eerste plaats tegen zichzelf. Dat ze begrip en herkenning vinden als ze erover praten. En vooral: dat degenen met wie ze hun gevoelens delen hun vertrouwen uitspreken, zodat ze ook zelf gaan geloven dat ze om kunnen gaan met wat op hun pad komt. Of het nou een echtscheiding, het verlies van een dierbare, een gebroken hart of ‘gewoon’ de puberteit is, de meeste mensen kunnen veel aan als hun pijn er mag zijn en ze de tijd krijgen om even te worstelen.

 

Met behulp van Acceptance and Commitment Training en mindfulness probeer ik in mijn praktijk en op de school waar ik werk zoveel mogelijk jongeren te leren dat je niet op de vlucht hoeft te slaan voor je eigen binnenwereld. In plaats daarvan kun je rustig op weg naar je toekomst, binnenwereld en al. Zoeken mag, en af en toe struikelen ook. Gewoon steeds een stap.

 

Tja, en thuis…probeer ik mijn zoekende kinderen dit ook te leren door te laten zien dat ik me soms ook liever onder een dekbed verstop en ontspannen te reageren als ze zich een tijdje zichtbaar rot voelen. Dat eerste lukt al heel goed.

 

 

Meer weten over ACT? Klik hier of neem contact op.

 

,

ACT en de moeder die het goed bedoelde

Ik ben fan van ACT. ACT, Acceptance and Commitment Therapy, is een variant van cognitieve gedragstherapie die mensen leert hun negatieve gedachten en gevoelens toe te laten, zonder hun gedrag er door te laten bepalen. Met andere woorden, je kunt iets eng vinden en het toch doen. Je kunt richting geven aan je eigen leven, al piept een onzeker stemmetje in je hoofd ‘dit lukt nooit! Ze vinden je vast raar!’.

 

Onderstaand verhaaltje gebruik ik wel eens als ik met jongeren praat over hun drukke hoofd dat ze onophoudelijk plaagt met allerlei gedachten over hoe ze zouden moeten zijn en doen. Mijn bedoeling met het verhaaltje is om jongeren te laten zien dat dat stemmetje niet de vijand is en niet bestreden hoeft te worden. We kennen het allemaal. Het is het stemmetje van een goedbedoelende, soms niet al te handige ‘adviseur’ die ons probeert te behoeden voor gevaar.

 

Er was eens een vrouw die zwanger was van een jongetje. Ze liep op straat te genieten van het mooie weer en het getrappel in haar buik toen ze opeens iets heel ergs zag gebeuren. Ze schrok verschrikkelijk en rende overstuur naar huis. In de maanden die volgden kon ze het voorval maar moeilijk loslaten. Ze dacht de hele tijd aan het baby’tje in haar buik. Als hem maar nooit zoiets zou overkomen! Ze nam zich voor er alles aan te doen om haar zoontje te beschermen. Het jongetje werd geboren en was een vrolijk kind. Hij woonde met zijn moeder in hun veilige huis en was gelukkig. Toen hij wat ouder werd wilde hij naar buiten. ‘Nee, dat kan niet’, zei zijn moeder, ‘je bent te klein’. Hij speelde vrolijk verder en werd groter. Er kwamen kinderen aan de deur om hem te vragen mee te spelen. Hij keek hoopvol naar zijn moeder. ‘Nee, dat kan niet’, zei ze, ‘buiten is het te gevaarlijk’. Het jongetje groeide op en zat soms voor het raam. ‘Hier binnen ben je veilig’, zei zijn moeder, ‘om naar buiten te gaan moet je veel groter en sterker zijn. Daar is het veel te gevaarlijk voor jou. Je bent niet sterk genoeg.’ Op een dag was de moeder van het jongetje boodschappen doen. Ze was vergeten de deur dicht te doen. Hij stond voor de open deur en keek naar buiten. Met bonkend hart sloot hij de deur en draaide hem op slot.

 

Wat vind je van de moeder? vraag ik de jongeren dan. Wat zou je tegen het jongetje willen zeggen? En: houdt de moeder van het jongetje? Werkt haar aanpak?

 

De antwoorden zijn altijd hetzelfde en helpen de houding te bepalen die ik ze graag help aannemen ten opzichte van hun eigen angsten en onzekerheden. De moeder bedoelt het goed, maar helpt het jongetje niet. Wat ze ook gezien heeft, de wereld is niet alleen maar slecht en iedereen gunt het jongetje ook een leven buiten.

 

Ieder van ons heeft dingen meegemaakt. Dingen waar we van schrokken of die ons verdrietig of onzeker maakten. Onze interne adviseur heeft dat allemaal gezien en probeert ons te beschermen door vergelijkbare situaties te vermijden. Dat pakt hij af en toe een beetje klunzig aan. Ben je ooit uitgelachen tijdens een spreekbeurt, dan roept onze adviseur zo gauw je in de klas een beurt krijgt al ‘ze gaan je uitlachen!’ Om je maar vast te waarschuwen voor wat er kan komen. Een onvoldoende gehaald terwijl je goed geleerd had? ‘Jij kunt geen wiskunde’. Om teleurstelling voor te zijn. Heb je ooit een steek van jaloezie gevoeld omdat iedereen lachte om een grappige klasgenoot? Dan roept de adviseur de hele dag ‘zeg ‘ns wat! Doe ‘ns wat leuker!’ Zo probeert hij ons te helpen. ‘Je moet meer zus! Je moet zeker nooit meer zo!’

 

Vaak is het helemaal niet duidelijk waarom hij roept wat hij roept. En dat doet er ook niet toe. Hij bedoelt het goed, zoals de moeder in het verhaaltje. Maar hij kletst een hoop onzin. Ik probeer de jongeren met wie ik werk, en mezelf (!) te leren dat je je adviseur af en toe vriendelijk kunt bedanken voor de tip, maar het advies mag negeren. Naar buiten, de wereld in.

 

 

ACT is positief, praktisch en op actie gericht. Dat maakt het heel geschikt voor jongeren. Wil je meer weten? Kijk dan hier of neem contact op.

 

Vmbo voor een prachtbaan

Minister Slob vraagt aandacht voor de zorgelijke daling van het aantal vmbo-leerlingen. Ouders moeten stoppen met pushen, ons land heeft behoefte aan leerlingen met een praktische opleiding. Wist ik allang. Maar de afgelopen jaren heb ik het ook gevoeld, en niet een beetje.

 

Mijn vader heeft de ziekte van Alzheimer. (voor meer daarover, klik hier) Hij zit inmiddels op de derde afdeling voor dementerenden, sinds het thuis niet meer ging. En voor de derde keer word ik getroffen door wat ik zie bij zijn verzorgsters. Op de vorige afdeling woonden alleen maar mensen in een vergevorderd stadium van dementie. Als je daar binnenkwam liep je tegen de stilte op als tegen een muur. Er werd niet gepraat, een beetje gemurmel en gemopper daargelaten. De bewoners waren zich nauwelijks meer bewust van hun omgeving. Ze aten niet, of alles wat ze voorgeschoteld kregen, wat het ook was. Wieteke werkte daar. Op een dag hoorde ik van haar dat ze zo’n fijne ochtend gehad hadden. Ze hadden heel uitgebreid en feestelijk ontbeten. Ik vroeg even door. Wieteke had de avond van tevoren tot 10 uur moeten werken en was die ochtend weer om 7 uur begonnen. Het ontbijt had haar zo leuk geleken voor de bewoners. Dus had ze ’s avonds Danerolles croissants gekocht en gerold en de tafels mooi gedekt. ‘S morgens had ze voor sinaasappelsap en eitjes gezorgd en toen met haar collega iedereen uit bed gehaald. Natuurlijk werd er ’s morgens ook vooral een beetje wazig gekeken, wat gemurmeld en gemopperd. Niemand van de bewoners kan Wieteke bedankt hebben. Maar het kan niet anders dan dat ze de liefde gevoeld hebben waarmee hun feestontbijt was bereid. Als je dag in dag uit met mensen werkt met wie interactie zo moeilijk is, en je blijft dan naast je drukke schema dit soort extraatjes verzinnen, omdat je de mensen in de bewoners blijft zien, dan ben je goud waard. Het helpt mij als dochter enorm te weten dat er Wietekes zijn waar mijn vader woont.

 

Op Carnavalsmaandag neem ik de trein van hossend Eindhoven naar Hoorn, waar mijn vader een tijdje terug naar toe verhuisd is. West-Friesland en Brabant lijken in niks op elkaar: de omgeving is anders, het accent, de woorden. Maar de mensen zijn er even lief. Als ik binnenkom zit papa in de kamer, behangen met serpentineslingers. Blijk ik net het carnavalsfeest gemist te hebben! In Hoorn?! Weer wat geleerd. De activiteitenbegeleidsters en verzorgenden vertellen hoe leuk hij het vond en het lijkt alsof ze dat zelf net zo fijn vonden om te zien als ik het vind om dat te horen. Als ik informeer hoe dat dan gaat, zo’n viering, en of er nog iemand mee kon zingen, zeggen ze: ‘nou ja, wíj hebben het zweet op ons voorhoofd staan! En de polonaise kan niet meer, maar dan doen we een dansje dat nog wel kan.’ Ik denk dat het raar overkomt om iemand na zo’n opmerking te zoenen, dus ik zei maar gewoon ‘wat fantastisch wat jullie doen’ . Als iemand van wie je houdt ziek is, ben je voor hoop en gemoedsrust afhankelijk van anderen. Ik moet de trein terug kunnen nemen in de wetenschap dat mijn vader in goede handen is. Dat vertrouwen is onbetaalbaar.

 

Ik vraag me af: die ouders die gruwen van het vmbo en een mbo-opleiding voor hun kind te min vinden, zouden die hun vader in een verpleeghuis achter hebben moeten laten? Hebben die wel eens de thuiszorg moeten bellen voor een familielid? Hebben die zelf wel eens zorg nodig gehad en ervaren wat oprechte betrokkenheid, een welgemeend ‘goedemorgen’ en een opbeurend grapje betekenen? Goede zorg maakt lijden dragelijk en houdt de mens in de zieke zichtbaar. De Wietekes van deze wereld zouden op handen gedragen moeten worden.

 

 

 

 

 

 

,

Chill, puber!!

Tegenwoordig kijk ik niet meer op van een scholier met burn-outverschijnselen. Elke dag krijg ik wel een mailtje over een congres of studiedag over depressies onder jongeren. Ik hoef niet te gaan, want ik ben er inmiddels bekend mee. Ik spreek regelmatig tieners die de lat zo hoog leggen dat ze er ziek van worden of die langdurig somber zijn omdat ze het allemaal niet meer weten. Uit een onderzoek van Metro afgelopen jaar bleek dat 63% van de jongeren tussen de 18 en 34 jaar een psycholoog heeft bezocht, voornamelijk vanwege stressgerelateerde klachten. Jongerenkrant 7Days kwam met vergelijkbare cijfers na hun onderzoek onder scholieren: 75% ervaart de druk als te hoog. Er wordt veel geschreven over de oorzaken van deze trieste trend en, geholpen door twintig jaar ervaring in het voortgezet onderwijs, wil ik wel even samenvatten wat er speelt. Zonder te pretenderen volledig te zijn.

 

Leave a comment

De gemiddelde millenial is chronisch overprikkeld. Daar komt het op neer. Zo gauw ze wakker zijn staan jongeren ‘aan’, zijn ze in contact met anderen, moeten ze reageren. Leave a comment, hup, schiet op! Ze zien de hele dag foto’s en posts voorbij komen van leeftijdgenoten die het allemaal voor elkaar lijken te hebben. Ze horen en zien dus de hele dag wat er mogelijk is. Hoe hun leven er ook uit zou kunnen zien, als ze het goed aanpakken. Zowel vóór als direct na een drukke schooldag gaat het bombardement van meningen en must haves door. Waar wij als volwassenen vroeger thuis even konden bijkomen van het Grote Vergelijken met klasgenoten, even gewoon ons onduidelijke zelf konden zijn, neemt de puber van nu zijn peer pressure letterlijk mee naar bed. Geen adempauze. Het bijhouden van de apps en posts kost uren per dag en niet meedoen lijkt geen reële optie. Het constante verkeer via social media is zo dwingend dat de meeste pubers zich daar niet aan kunnen onttrekken. Wie een puber heeft, weet het: de telefoon is er altijd. Vaak houden ze tijdens andere activiteiten al één oog op hun mobiel, maar als er even niks anders te doen is, dan sowieso. Elke mogelijke seconde stilte wordt opgevuld met een informatiestroom van buiten. Zo hoef je je nooit te vervelen. Zo is er nooit tijd voor reflectie. Zo kun je blijven wegduiken voor wat er van binnen gebeurt.

 

Het leven is maakbaar, of…?

In die veelheid van voorbeelden is het al bijna niet te doen om te bepalen wat jij wil, hoe je zelf wil zijn, wat bij je past. En onze kinderen lijken er steeds minder ruimte en steeds minder tijd voor te krijgen. Ik ben zelf een goedbedoelende ouder die het beste wil voor haar kinderen, dus ik wil niemand voor het hoofd stoten. Maar wat ik om mij heen zie vind ik soms heel pijnlijk. Ouders zijn zo bang dat ze hun kind tekort doen of een mogelijkheid onthouden, dat de hulptroepen al in de kleuterklas worden ingeschakeld. Er komt hulp voor jou, want jouw tempo is niet goed genoeg. Waar talent lijkt te ontbreken wordt ondersteuning aangevraagd. The only way is up. Vaak begrijpelijk en soms ook heel terecht, maar we slaan er wel in door. Alsof er maar één route is naar een fijne toekomst: die van een vlekkeloze schoolloopbaan, een mooie carrière en maatschappelijk succes. Wat dat dan ook mag zijn. Het is een wrange paradox: alles lijkt nu mogelijk, voor iedereen die er zijn best voor wil doen. En nu alles kan, wordt iedereen aangespoord hetzelfde te kiezen. Een theoretische opleiding, liefst vwo. Als het er misschien in zit, dan proberen we het er uit te halen. Helaas wordt soms vergeten dat een kind meer is dan zijn cognitieve capaciteiten. Dat niet elk kind dat het vwo aankan, daar ook op zijn plek is. De focus op presteren maakt kinderen blind voor wie ze zijn. Bovendien, ook kinderen die de vrijheid voelen om zelf een richting te kiezen weten het soms niet of willen soms iets niet. Omdat het pubers zijn. Omdat dat precies is waar de puberteit om draait: zoeken, draaien, uitproberen, ontdekken. Dat mag tijd kosten. Soms zijn de schoolresultaten dan even niet het belangrijkst. Veel ouders, en dus ook hun kinderen, durven de tijd niet te nemen. Hebben niet het vertrouwen dat de zoektocht iets oplevert. Dus spreek ik bezorgde tieners die ‘al drie weken’ niet lekker in hun vel zitten en gestreste kinderen die voor hun zelfvertrouwen afhankelijk zijn van een 8 gemiddeld. Ik neem iedereen serieus en zoek naar de juiste reactie op de zorg die ze uitspreken, maar steeds vaker komt die reactie hier op neer: Het mag. Het mag gewoon, dat je je even rot voelt, dat je het even niet weet. Het hoort gewoon bij het leven. Als je een keer minder scoort ben je niet minder waard. Niet elke dag hoeft een topdag te zijn en je hebt ook geen haast.

 

Vol, voller, volst

Daar zit je dan. Je bent 16. Je wil ook die must haves, dus je werkt 15 uur in de week in de supermarkt. Je wil goede cijfers halen, want dat is belangrijk. Dat hoor je de hele dag thuis, en op school. Je moet wel leuk reageren op de foto’s van je vrienden, en in de app meepraten over de laatste ruzie in de vriendengroep. Het examenjaar komt dichterbij en je weet nog niet zeker wat je wil doen met je leven. Of je weet het wel, maar uren werken levert toch niet de cijfers op die je nodig hebt om te kunnen ontspannen. Soms ben je helemaal niet blij of heel onzeker, maar dan krijg je veel likes op je laatste Instagrampost en dan gaat het wel weer even. Tot het niet meer gaat.

 

Het kan ook anders

Dit is wat ik wil: jongeren laten ervaren dat het wél kan. Even stoppen met dingen moeten en reageren op anderen. Even stilstaan bij wat er is. Niet jagen of stressen of jezelf vertellen dat je beter, slimmer, knapper, leuker moet zijn. Verdrietig, bang, onzeker, in de war zijn als je dat bent, en daar mee kunnen leven. Dus ik zoek naar de manier waarop. Hoe krijg ik die boodschap overgebracht? Ik geef mindfulnesstrainingen aan scholieren. Het is goed zoeken naar de vorm. Ik kom niet in lange paarse gewaden met een klankschaal naar de les, maar toch moet ik opletten. Welke woorden kies ik? Hoe maak ik de oefeningen toegankelijk voor jongeren? Leerlingen die zich opgeven vallen nagenoeg allemaal in dezelfde categorie: hardwerkende, serieuze, lieve, perfectionistische meisjes. Afgelopen week had ik vier afmeldingen omdat het proefwerkweek was. ‘ik wil leren hoe ik anders om kan gaan met de eisen die ik mezelf opleg, maar nu niet, want nu moet ik leren’. Een leerling die er wel was zei dat het niet gelukt was een oefeningen van 2 (TWEE) minuten te doen die week, omdat ze te druk was geweest met de toetsen. Ik ben blij dat ik de training mag geven, dat de noodzaak erkend wordt op mijn school. Dat deze meisjes, die in de klas geen aandacht vragen, gezien worden. Maar ik vind het jammer dat ze eerst bijna moesten omvallen. Dat ze naar een aparte training moesten, alsof ze uitzonderingen zijn. Kwetsbaarder dan alle andere mensen.

Ik zou willen dat deze meisjes, en al hun leeftijdsgenoten, regelmatig horen dat het goed is om soms even stil te staan. Even niks. Ademen. Naar binnen kijken. Dat ze vaak horen, thuis en op school, dat het normaal is dat je dan onzekerheid tegenkomt, of twijfel, of verdriet. Dat dat oké is en dat je daar mee om kunt leren gaan. Dat ze steeds weer horen, van allerlei soorten mensen, jong en oud, yogajuf of economieleraar, dat er vaardigheden zijn die je daarbij kunt inzetten. Dat iedereen daar iets aan heeft en dat het de normaalste zaak van de wereld is om daarmee te oefenen. Dat je kunt leren aardig te zijn voor jezelf. En het allerliefste zou ik willen dat onze pubers mede daardoor leren vertrouwen op zichzelf. En geloven dat ze linksom of rechtsom, snel of langzaam, hun plek zullen vinden.

Voor wie dit leest, dit is een oproep!

 

 

 

De Puberkameleon

Hij appt, swipet, scrollt en hij slaapt, zwijgt, gromt. Dit is soms het beeld dat lijkt te bestaan van De Puber. Een onbegrijpelijke alien die ergens nog vaag doet denken aan je kind, de koelkast plundert en verder het hele gezin en vooral zichzelf in de weg zit. En ik ken deze vreemde mensensoort inderdaad, er loopt er bij mij thuis ook wel eens een rond. Maar ik voel toch even de behoefte een lans te breken voor deze kameleonachtige wezens, simpelweg omdat ik enorm van ze hou.

Onder invloed van de steeds strengere privacywetgeving kan ik helaas geen beeldmateriaal delen van wat ik op een gemiddelde dag op school en in de klas zie, maar jammer is dat wel. Het zou voor veel mensen (ouders) zo’n eyeopener zijn te zien hoe hun Puber zich tussen soortgenoten gedraagt en welk gedrag hij allemaal kan laten zien naast het bekende schermkleven, eten en slapen.

De puberkameleon, zeker in de onderbouw, weet feilloos hoe hij zich moet kleden om helemaal in de groep op te gaan en toch kans te maken op aandacht van de andere sekse. We mogen hier in Nederland officieel dan wel geen schooluniformen hebben, de praktijk laat toch vaak iets anders zien. Zo zag ik vorig jaar in elke les minstens drie zwarte H&M-skinny’s met gaten op de knieën. Bij het zien van de nieuwe lichting brugklassers wist ik dat Levi’s dit jaar goede zaken gedaan heeft: zeker vijf keer kwam een shirt met logo per klas voorbij, bij jongens en bij meiden. En alleen al bij het zien daarvan springen bij mij de tranen in de ogen, omdat ik weet hoe elk kind thuis voor de spiegel heeft gestaan, twijfelend over de outfit voor die superbelangrijke eerste indruk. Gelukkig was het dit jaar droog, want er is niks ergers dan regen op de eerste schooldag. Hoe moet je kiezen tussen drie keer onmogelijk: gebracht worden, een regenpak, een verzopen kat-kapsel?

Maar goed, ze zijn binnen en dan begint het pas. Voor de meiden: het betere multitasken. De beste route bedenken om via kluisje (boekenwissel) en wc (korte roddelstop, make up bijwerken) op tijd bij de volgende les te komen, maar wel zo dat de kans groot is dat je Hem (huidig object van verlangen) tegenkomt. Vriendinnen zo bewerken dat ze jouw route volgen. In de les alles bijhouden: wie heeft wat aan en hoe doet a tegen b? Wat betekent de blik van x en zag je hoe y keek? Ondertussen in de gaten houden wanneer je echt moet stoppen met appen om op te letten. Huiswerk maken, stress onderdrukken (ik snap ‘t niet en ik ga ‘t zeker niet vragen), nonchalance veinzen. Hup weer door, want het is pauze. Waar ga ik staan en hoezo reageerde niemand op mijn grap? Jongens, onderbouw: Wat gebeurt daar? Huh? Woehaha! Wat? Op vier poten? O ja. Alles uit de etui halen, kunnen we daar iets mee om de tijd te doden? Hebben we een projectiel? Anything? Jongens, bovenbouw: hoe krijg ik die benen onder dit tafeltje. Wat een saaie les..do-de-lijk… Wat is er nou weer niet goed? Er staat toch iets?

En in al die chaos, dwars door al dat gedoe heen, zie je af en toe ogen oplichten, de liefste blos door een laag foundation, verontwaardiging, verdriet, verliefdheid. Knetteren allemaal kleine stukjes echt mens door je lokaal. Een halfslachtige spreekoefening bij Engels slaat om in een echte discussie over wat er nu in de wereld gebeurt. Ineens praten ze wel, blijken ze allemaal een mening te hebben. Als ik toetsen teruggeef maakt de opluchting op een gezicht de verstopte vrees zichtbaar, verraden ogen dat de onverschillige houding gespeeld is. Zeg ik iets over mijn eigen leven, zitten ze ineens rechtop. In de wc staat een meisje te huilen, haar vriendinnen een schil van zorgzaamheid en begrip. Ze helpen elkaar en leren samen, over hoe het allemaal werkt, in liefde en oorlog. In de pauze zie ik een brugklasser te midden van zijn vriendjes als enige woordjes leren. Dan ben je groot, al ben je pas 1 meter 50.

Mensen denken vaak dat een kameleon van kleur verandert vanwege camouflage, maar dat klopt niet. Het heeft te maken met zijn gemoedstoestand, het licht en de temperatuur van zijn omgeving. De puberkameleon is de hele dag met die omgeving bezig. Hij is nog niet zo goed in het reguleren van zijn kleur. Gelukkig maar. Gelukkig is het nog vaak zichtbaar: het zoeken, het worstelen, de pieken, de dalen, al die emoties die alle kanten opschieten. Alles wat bij het leven hoort, in een snelkookpan. Alle kleuren, en alles tegelijk. Het is net vuurwerk.

(Still) the best job ever

‘Leraar, elke dag anders!’ luidde ooit de slogan. Sindsdien wordt hij bij mij op school alleen ironisch gebruikt, als het rooster alwéér veranderd is of de apparatuur per lokaal blijkt te verschillen. En toch. Als leerlingen weer eens zeggen zich niet te kunnen vóórstellen waarom iemand óóit voor dit vak zou kiezen, elke keer dezelfde stof, en elke keer die leerlingen die niks willen, dan denk ik: hij klopt. Je weet ’s morgens misschien welk hoofdstuk je gaat behandelen, maar niet wat je gaat meemaken. Het jaar zit vol met momenten waar ik graag aan terugdenk . Ik noem er een paar:

Periode 1

Maandagmorgen. Een blokuur CKV, onderbroken door een pauze. Ik leg een opdracht uit. Ze moeten een filmpje gaan maken vanuit verschillende camerastandpunten. De klas lijkt nog niet helemaal wakker. De leerlingen staren voor zich uit, het weekend hangt nog in hun gezicht. Is er überhaupt iemand die hoort wat ik zeg? Vijf minuten later loop ik in de pauze te surveilleren in de hal en hoor ik een groepje van mij: ‘Wat doe jij op de grond man, idioot!?’ ‘Ja, wat denk jij! Kikkerperspectief, dat zei ze toch! Jezus, luister jij nooit?!’

Een paar weken later doen we een les over camerabeweging. Ze krijgen een half uur om buiten te filmen. Na een klein uur monteren gaan we de resultaten bekijken. Daar rent, rolt, springt 4 havo door het bos. In één blokuur zijn vijf moorden gepleegd en drie drugsdeals misgelopen. Zeker 10 jongens zijn in een boom geklommen. Het gehijg is niet van de lucht, the Blair Witch Project is er niks bij. Later op de dag zie ik nog een slachtoffer door de school lopen. Het bloed bleek er niet meer af te gaan.

In het kader van een lessenreeks over ‘juvenile crime’ kijken we bij Engels de film Boy A. Zonder ondertiteling is het meteen een luistervaardigheidsoefening. Het accent van de hoofdrolspelers is lastig te verstaan dus het geluid staat extra hard. De vrijscène lijkt te midden van 25 pubers drie keer zo lang te duren als thuis. Je ziet niet veel, maar je hoort des te meer. Awkward in het kwadraat. ‘Listen and learn, kids…’

Periode 2

In A Valediction forbidding mourning vergelijkt John Donne de verbinding tussen zijn ziel en die van zijn geliefde met de poten van een passer. Ik vind het een prachtig gedicht, 5 vwo vindt het maar ingewikkeld. Ik besluit: ‘Dus jongens, de volgende keer dat je in een romantische bui bent zeg je ‘Schatje, je bent het pootje van mijn passer!’ Jouw vriendje zou het moeten snappen, Eline, hij heeft dit gedicht vorig jaar ook gehad.’ Eline veert op. ‘Mag ik appen, mevrouw?’ Tuurlijk. Hup, van de 17e eeuw naar de 21e. We wachten met z’n allen op de reactie van Thomas.

Ik praat met een meisje uit klas 2 dat uit de kast wil komen. Ze vertrouwt er op dat haar beste vriendin goed zal reageren, maar vindt het toch spannend. Hoe moet het nou met de logeerpartijtjes? Er wringt duidelijk nog iets. Het komt er heel aarzelend uit. Haar vriendin is gewoon haar vriendin, maar toch stelt ze zich wel eens voor hoe het zou zijn haar te zoenen. Moet ze dat ook zeggen? Is ze wel eerlijk als ze zegt dat er niks verandert? ‘In je hoofd mag je doen wat je wil. Als jullie vriendschap in het echt genoeg is, kun je er rustig op los fantaseren. Je klasgenoten zitten in hun hoofd ook allemaal met elkaar te kussen, geloof mij maar.’ Ze vertrekt lachend, een heel stuk lichter.

Periode 3

Tijdens een mondeling vertelt een jongen iets over zijn vriendin, die ook bij ons op school zit. Ik vraag wie het is, en zeg dan dat ik haar niet ken. Het ongeloof op het gezicht van deze straalverliefde jongen is goud waard.

Af en toe moet je even iets anders proberen. ‘Today we’re looking for the King or Queen of irregular verbs! So get up!’ Voordat de hele klas staat, met een pen in de aanslag en een blaadje op een boek om staand te kunnen schrijven, zijn we een paar minuten verder. Waar slaat dit nou weer op? Ik vraag de leerlingen steeds de drie tijden van een werkwoord op te schrijven. Na het goede antwoord moeten ze elkaar controleren. Wie het fout heeft, gaat zitten. Het is altijd fijn als er dan precies gebeurt wat je verwacht. Als de harde werkers die normaal slecht scoren blijven staan. De winnaar heeft nog nooit een voldoende gehaald op zijn rapport. King for a moment.

Londen. We komen terug van de geweldige theatershow Thriller Live met een bus vol gloeiende pubers. De chauffeur rijdt langs alle prachtig verlichte gebouwen en 52 newborn Michael Jackson-fans zingen samen Beat it! De timide groep van maandag is nu, op donderdag, een en al uitgelaten saamhorigheid. Mijn collega’s en ik zitten trots en dankbaar voorin.

Op weg naar huis stoppen we in Canterbury. Daar hoor ik in een souvenirwinkel twee stoere jongens van 16, in weloverwogen outfits met impeccable haar, twijfelen over de cadeautjes voor hun moeders. Ze wil altijd dat alles bij elkaar past, dus is ze dan blij met zo’n mok? Au, mijn moederhart.

 

 

Meer voorbeelden? Kijk hier. Ik zou het heel leuk vinden als je een eigen voorbeeld zou willen achterlaten. Mag ook als je niet in het onderwijs werkt! 🙂

 

 

 

 

,

Knap zijn kan knap lastig zijn

Een metafoor voor mooie meisjes

Vijf jaar geleden hadden de meeste mensen nog nooit van sexting gehoord. Nu weet, helaas, iedereen wat het is en besteden alle scholen er aandacht aan. Leerlingen die horen dat er naaktfoto’s van medeleerlingen door de school vliegen reageren meestal met ‘moet je maar niet zo dom doen, dat weet toch iedereen’. En toch blijven de foto’s komen.

Na zo’n incident met pikante foto’s had ik een aantal gesprekken met het slachtoffer. Lisanne viel op alle fronten uit de toon in gymnasium 2: te veel make up, te sexy, te veel bezig met flirten. Ze was een opvallende verschijning en was gewend dat vaak te horen. Jongens die ze nauwelijks kende wilden haar volgen op Instagram en stuurden haar berichtjes via What’s App. Daarin werd duidelijk dat ze contact zochten omdat Lisanne de naam had sexy en spannend te zijn, héél anders en véél leuker dan haar klasgenootjes. Sexy, spannend en veel leuker dan de rest klinkt goed, dus ja, dan moet je zorgen dat je je naam eer aandoet. Desnoods met foto’s die te veel laten zien. Of niet?

Lisanne had dingen gedaan die ze zelf ook dom vond. In het begin waren mijn vragen erop gericht te onderzoeken wat haar er dan toe gebracht had. Ik vermoedde dat het gebeurd was omdat haar imago haar daar toe dwong. Ze ontleende haar zelfvertrouwen voor een groot deel aan haar sexy imago en de aandacht die ze daardoor steeds kreeg. Het maakte haar afhankelijk van dat imago en om het in stand te houden ging ze te ver. Dus we gingen samen op zoek: wat betekende het etiketje ‘sexy’ voor haar? Welke andere eigenschappen boden houvast? Wat vond ze moeilijk en wie mocht dat zien? Ze was ontzettend dapper. Ze kwam naar school en liep niet weg voor alle opmerkingen, de gebaren en het gelach. Ze was eerlijk over zichzelf en toen ze ontdekt had dat ze wilde leren meer te zijn dan ‘sexy Lisanne’ ging ze er vol voor, op haar eigen manier. “Mevrouw, ik ben gisteren naar school gekomen zonder mijn wenkbrauwen te doen! Ik dacht ‘ik doe het gewoon’!”

In het eindgesprek vroeg ik haar wat ze wilde onthouden van de dingen die we besproken hadden of van wat ik gevraagd of gezegd had. Een makkelijke vraag, blijkbaar. “Het cadeautje! Dat vergeet ik niet meer!” Bij dezen, een metafoor voor mooie meisjes:

‘Er was eens een meisje dat verliefd was op een jongen. Hij vond haar ook leuk, want als ze binnenkwam begon hij te stralen. Toen hij vroeg of ze op zijn verjaardag kwam, sprong ze een gat in de lucht. Zijn verjaardag! Dan vindt hij me dus echt leuk! Wat moet ik dan meenemen? Ze ging op zoek naar het perfecte cadeau. Omdat ze hem al langer leuk vond wist ze waar hij van hield. Ze had goed opgelet tijdens hun gesprekken. Ze zocht stad en land af om iets te zoeken dat precies bij hem paste. Toen het gelukt was deed ze ook nog haar uiterste best om het zo mooi mogelijk in te pakken. Met glimmend papier, en met gekrulde linten. Zenuwachtig ging ze naar zijn huis. Gelukkig reageerde hij heel enthousiast. Hij zei dat hij nog nooit zo’n mooi pakje gezien had en liet het aan al zijn vrienden zien. Steeds weer wees hij op het papier en op de kleurige linten. Het meisje liep er verlegen achteraan en wachtte tot hij het cadeautje uit ging pakken. Zou het goed zijn? Het feest ging verder en de jongen pakte het cadeau niet uit. Wel riep hij af en toe naar haar: “Echt mooi! Die linten! Dat papier!” Daar werd het meisje onzeker van. Was dat nou goed of niet? Aan het eind van de avond zag ze dat de jongen het cadeautje uitpakte en op tafel legde. Ze kon niet goed zien of hij het mooi vond. Hij pakte de linten en het inpakpapier van de vloer en liep er mee weg. Het meisje ging maar naar huis.’

Echt zielig! vond Lisanne. En ze kon ook goed uitleggen waarom. En ja, ze had zich vaak zo gevoeld als het meisje. In de war. Zoveel complimentjes en toch nog steeds onzeker. Hoe kan dat nou? De volgende paar gesprekken gingen over al het moois dat in het pakje zat. ( Voor een handleiding voor zo’n gesprek met voorbeeldvragen klik hier in-gesprek-met-een-slachtoffer-van-sexting). Een keertje huilen en een beetje lachen later namen we afscheid. Met een gratis wijze les om mee te nemen.

Jij bent het cadeautje. Jij, met al je eigenschappen, je typische dingen, je gedachten, gevoelens en dromen. Onthoud dat. Als jij zelf goed weet hoe waardevol je bent, vind je vanzelf iemand die dat ziet, en die zich niet blindstaart op de verpakking.

Of in de woorden van Lisanne: “Dus eigenlijk….moet hij me uitpakken, zonder me uit te pakken!”

Best job ever

Alles wat in de krant staat over werken in het onderwijs is waar. De werkdruk is hoog, inzichten en eisen veranderen vaker dan de relaties in GTST en elk maatschappelijk schandaal wordt vertaald in een nieuwe taak voor docenten. Het klopt en het is terecht dat leraren er aandacht voor vragen. Maar ik wil dat nu even niet doen. Ik wil een paar voorbeelden geven uit de dagelijkse praktijk van het afgelopen jaar die hopelijk voor zich spreken. Die hopelijk duidelijk maken dat het begeleiden van jonge mensen, het mogen meebeleven van hun hoogte- en dieptepunten, in één woord fantastisch is. Dat het soms frustreert, maar vaker ontroert, en nooit verveelt.

Herfst:

Met de toestroom van vluchtelingen naar ons land moeten we als school iets doen. We besluiten een Week van de Vluchteling te organiseren. Ons doel: bewustwording. Je mag vinden wat je wil, maar moet wel weten waar je over praat. Er komen Syrische vluchtelingen in de les om hun verhaal te doen. De leerlingen luisteren aandachtig en stellen directe en kritische vragen. ‘Had u daar ook een vriendin?’ ‘Vindt u het terecht dat alle vluchtelingen een huis en geld krijgen zonder iets te doen?’ De vluchteling in kwestie blijkt radicaler dan de meeste leerlingen: ‘Je moet Nederlands leren en je best doen. Wie niks doet moet gewoon weggestuurd worden. Hup terug!’ De klas is onder de indruk en ons doel bereikt. ‘Oh, mevrouw! Ik wist dit echt allemaal helemáál niet! Kunnen we hem niet met de klas adopteren of zo?!’

Ik praat met een meisje met een terminaal zieke vader. Ze wil hem nog zeggen dat ze van hem houdt, maar praten zijn ze thuis niet gewend. ‘Heb je het al ooit gezegd?’ vraag ik. Ze schudt haar hoofd. ‘Ik bedoel niet per se met woorden?’ zeg ik. Dat helpt. Ze begint te vertellen over alles wat ze samen doen, over gedeelde hobby’s en intieme grapjes. Het is wel duidelijk, ook voor haar. Hij weet het allang.

Winter:

Als het mogelijk is, verwerk ik namen van leerlingen in de opdrachten bij toetsen. Tijdens het surveilleren zie ik aan het gegrijns en de enkele verraste blik omhoog precies bij welke oefening iedereen is. Eén inhaler die de hoofdrol speelde in elk onderdeel van zijn proefwerk schreef onderaan het antwoordblad: ‘Ik denk dat ik een dikke 1 heb, maar bedankt voor de leuke toets! 🙂 ’

Een moeilijk bereikbaar meisje krijgt strafwerk. De opdracht luidt: Write a letter to someone in which you thank him/her. Use at least 250 words. Aan het begin van de volgende les levert ze haar brief in en staat er met een verongelijkt gezicht bij terwijl ik hem lees. In krom Engels heeft ze twee kantjes volgeschreven over wat haar moeder voor haar betekent. Het is het mooiste dat ik ooit gelezen heb. ‘Please give this to your mother’ krijg ik er nog net uit. De klas kijkt me raar aan als ik de les begin.

Voorjaar:

Schoolexamen gespreksvaardigheid. Een leerling uit havo 5 die ik het hele jaar nog niet op werken heb kunnen betrappen, ondanks mijn steeds wisselende aanpak, beweert een vroegmiddeleeuws gedicht gelezen te hebben. ‘Weet je het zeker? Heb je het niet alleen over de samenvatting?’ vraag ik van tevoren drie keer. Hij houdt voet bij stuk. Tijdens het mondeling komt het gedicht uitvoerig ter sprake. En verdomd. Het lijkt nog waar ook. Hij weet waar hij het over heeft en op zijn Engels is nauwelijks iets aan te merken. Als hij hoort dat hij een 9 heeft valt hij helemaal uit zijn rol. Een sprong van een meter hoog en een vreugdkreet. Hij gaat me nog net niet zoenen.

We zijn op excursie naar Londen. Op de parkeerplaats wachten de leerlingen op hun gastouders. Ze houden een stuk karton omhoog met de naam van hun tijdelijke papa en mama. In groepjes van drie of vier gaan ze vijf dagen logeren. Elke keer als de ouders een groepje gevonden hebben hetzelfde tafereel. Onhandig handen schudden, beetje lachen, de tassen pakken en dan, op weg naar de auto, kijken ze nog even om naar ons. Wij roepen ze na: ‘Have fun! Bordjes leegeten, hè jongens!’ Grote kinderen voor het eerst alleen in een vreemde omgeving.

Sommige leerlingen op de excursie ken ik niet. Eén meisje valt me op. Ze is heel stil, en ik kan niet aan haar zien of ze het naar haar zin heeft. Tijdens de ‘Jack the Ripper-tour’, waarbij een gids ons rondleidt door donkere steegjes en steeds vertelt waar de slachtoffers van de seriemoordenaar gevonden zijn, en hoe ze toegetakeld waren, duikt ze naast me op. ‘Ik vind dit heel eng, mevrouw’, piept ze met tranen in haar ogen. ‘Ik zie het allemaal precies voor me!’. Ik geef haar de opdracht elke keer als de gids begint te vertellen drie outfits van klasgenoten uit haar hoofd te leren. Als we verder lopen overhoor ik haar. We bereiken het einde van de tour zonder dat iemand iets merkt. Steeds als ik haar later in de school tegenkom, kijkt ze me even aan en gaat haar gezicht helemaal open.

Zomer:

Bij het gala begeleiden docenten de examenleerlingen over de rode loper, inclusief fotomoment. ‘Zal ik met jou lopen?’ vraag ik aan een jongen die vorig jaar gezakt is. ‘Ja, vorig jaar liep ik ook met u! U staat al het hele jaar bij ons op de schouw!’

Na afloop kom ik een oud-leerling tegen, een innemende en enthousiaste jongen, die moeilijk aan het werk te krijgen was. Ik vraag hoe het gaat. Bedrijfskunde, was het toch? Nee, hij blijkt geswitcht en doet nu de lerarenopleiding, waar hij het heel erg naar zijn zin heeft. ‘Weet u nog wat u tegen mij gezegd heeft na de presentaties voor de klas in V5?’ Ik weet het niet meer. ‘U zei: inhoudelijk is het niks, maar als je in de toekomst ooit twijfelt over wat je later moet gaan doen: dit is jouw plek. Dat heb ik altijd onthouden.’