Oma Ad

Zo’n 21 jaar geleden werd ik verliefd op een collega. Het was, in ieder geval van mijn kant, echt liefde op het eerste gezicht, struck by lightning in de docentenkamer. Ik zie een film met Reese Witherspoon voor me. In de weken die volgden verzamelde ik informatie over deze man. Ik sprokkelde feitjes om verstandelijk te staven wat mijn lijf zei. Hij hield van carnaval en hij kookte nooit met zakjes. Prima. Op een dag zei hij dat hij naar de verjaardag van zijn moeder ging. Ze werd 75.

 

Wacht even? 75? Ik was 25. Mijn collega bleek 18 jaar ouder. Hij bleek ook gescheiden en vader van twee kinderen. Ik probeerde daar iets van te vinden maar was al te ver heen. Reese toont de interne strijd in een intens close-up shot. De film volgt verder het standaard patroon van een romantische komedie. Er was wat gedoe, er waren een paar gênante situaties (Bridget Jones Queen of Clumsy? Pff, you ain’t seen nothing yet) en ook het verplichte ‘Oh nee, op de valreep toch maar niet’-moment ontbrak niet. Maar het geheel eindigt met een spectaculaire kus ( op de wc. Tip voor de regisseur: niet alle waargebeurde feiten gebruiken) en de kijker denkt de bruiloft en een toekomst vol liefdesgeluk er zelf wel bij.

 

Die bruiloft kwam er en het geluk is er nog steeds. Mijn lieve schoonmoeder wordt volgende week 96. Door het grote leeftijdsverschil tussen mijn man en mij was ze in mijn ogen altijd al meer een oma dan een moeder. Het appartement in hartje Helmond, waar ze sinds ik haar ken woont, is een oase van hartelijkheid. De setting: vloerbedekking en tapijtjes, eikenhouten kastjes en tafeltjes, overal kandelaars en kleine vaasjes. Aan de muur een kalender met Bijbelse spreuken, foto’s van kinderen en kleinkinderen en landschappen geschilderd door mijn schoonvader, die ze zo vreselijk mist. Een bezoek aan haar is the ultimate oma-experience. Koffie met iets lekkers, en nog iets lekkers, en nog iets, en dan soep, en tussendoor aan de lopende band complimentjes, lieve vragen, bezorgde vragen en verontschuldigingen. Als iemand de gezichten van mijn pubers kan openbreken is zij het. Ze gaan graag mee, en dat wil wat zeggen. Mijn zoon van 18 is nog niet binnen of hij duikt languit op de grond, zoals vroeger. Ze vallen over elkaar heen om haar ervan te verzekeren dat de soep heerlijk is, echt héérlijk, en dat ze echt niet te weinig in huis gehaald heeft. Alles is goed, oma. Ze hoort slecht, wat leidt tot spraakverwarring en veel herhalingen, en ik zie hoe de kinderen moeten lachen. En hoe ze dan kijken, naar hun oma en naar elkaar. Ongegeneerd samen genieten. Dezelfde drie kinderen die op weg naar de auto weer beginnen te steggelen over wie er in het midden moet.

 

Toen ze 89 was gingen we een keer samen winkelen. Ze paste een trui en vroeg aan de verkoopster ‘Maakt ‘ie me niet te oud?’. Want ze weet heel goed welke vraag daarop volgt, en wat zij dan antwoordt, en dat er dan iemand ongelovig ‘Oh!’ en ‘Ah!’ begint te roepen. Mijn man heeft het niet van een vreemde. Het is ook waar. Ze lijkt 80. Ze gaat elke dag even naar buiten voor ‘een loopje’ naar de markt of de bakker. Er liggen elke keer dat we komen nieuwe boeken van de bieb, en geen flauwe. Een paar jaar geleden nog belde ze ruim na middernacht op 1 januari, om ons een gelukkig nieuwjaar te wensen. Ook als weduwe vierde ze Oudjaar, alleen, met de tv en een glaasje wijn. Een eind in de 90 heeft ze bijna al haar meubels vervangen voor ‘iets moderners’. En al praat ze al jaren over stoppen, ze gaat nog wekelijks naar de petanque-club. Ze vertelt dat de mannen in de rij staan om haar te halen en te brengen. Een tijdje terug had er een om haar voornaam gevraagd, dat vond ze zo romantisch! Goeie genen en geluk zijn essentieel, maar mijn schoonmoeder leeft wijze lessen. Ze is alleen en dat is zwaar, en ze maakt er wat van. Ze doet precies wat de dokter zegt (‘Al loop je maar rond de tafel, zegt de dokter, dus ik moet er elke dag even uit’), kleedt zich mooi aan, kookt haar eigen potje en vertelt zichzelf elke dag wat ze heeft om dankbaar voor te zijn.

 

Nu gaat ze richting 100. Haar lichaam lijkt dat ruim te kunnen halen. Maar we zien hoe het steeds moeilijker wordt. De fontein met levensenergie begint te sputteren. De vonk is eruit. ‘Ik mag niet klagen’, zegt ze, ‘jullie zijn allemaal zo lief’. En ik zeg dat ze wel mag klagen, dat het gerust mag, het is ook zo moeilijk, en zo doet zo haar best. En ze zegt dat het eigenlijk van haar niet meer hoeft, dat het genoeg geweest is. En de kinderen willen van mij horen dat dit over gaat, dat ze zich weer beter gaat voelen als ze weer op haar dakterras kan zitten, in de zon.

Carnaval met pubers

Picture this: ik sta op een bankje midden in de stad, geflankeerd door zus S. en vriendin R. We zwaaien alle drie met bier. Aan de overkant van de straat staat Django Wagner zijn best te doen. Tussen ons in een hossende menigte, met recht voor mijn neus mijn zoon (18) en stiefzoons (29 en 31), gebroederlijk lachend. Links man en dochter en een nichtje van 15 dat niet méér zou kunnen stralen. Wie carnaval ontvlucht mist echt iets bijzonders.

Wijs mij de plek waar je als ouder van pubers in het openbaar samen feest kunt vieren zonder dat je kinderen met afschuw reageren op elke beweging die je maakt. Als ik bij een gelegenheid waar zij ook zijn zelfs maar naar de dansvloer kijk zijn ze al vertrokken. Een uitbundig gebaar of hard lachen? Ik word meteen tot de orde geroepen: ‘Doe normáál!’. Zo niet met carnaval. Ik stond mee te brullen en het was oké. Hun tante was verkleed als identiteitscrisis (alles uit de verkleedkist door en over elkaar) en dat was oké. Er waren tieners en zestigers en alles daar tussenin en dat was oké. Ik vond het geweldig.

Ik bleef van binnen natuurlijk wel gewoon een moeder. Dus ik zag dat mijn zoon kou stond te vatten zonder jas en dat hij veel bier dronk. Ik heb er zo goed als niks van gezegd (trots op mij!). Toen mijn dochter vertrok liet ik Django acuut in de steek om te dubbelchecken waarheen, met wie, hoe laat thuis en niet alleen! Vorig jaar had deze zelfde dochter het op de eerste dag van carnaval zo bont gemaakt dat het hele gezin er een week van moest bijkomen, en ik een half jaar. Maar daar ging ze weer, met haar duivelshoorntjes.

De overige dagen van het feest bracht ik hier in Lampegat door op de onontkoombare puberouder-wip: ik vond het prachtig en ik vond het eng. De dagen begonnen met een paar brakke verschijningen aan het ontbijt, mijn eigen kroost met wisselende extra’s, en eindigden ’s nachts als de laatste binnen was. Tussendoor deden we creatief: last-minute verstelwerk zonder naaimachine, een schmink-tutorial op YouTube, gedoe met krul- en stijltangen en plaktatoeages. In bed luisterden mijn man en ik naar de manier waarop de voordeur geopend werd en de feestgangers binnenkwamen. Voor ze boven waren hadden we al opgelucht vastgesteld dat ze nog netjes recht liepen en konden we volstaan met ‘Was het leuk, schat? Slaap lekker!’ waarna we dan ook eindelijk zelf zonder voorbehoud onder zeil konden.

De kleren zijn weer gewassen, petten, hoeden en aanvullende troep zit weer in de kist, het feest is voorbij! Op Pinterest zie ik dat mijn zus aan de andere kant van het land outfits voor komend jaar zit te zoeken. Mijn jongste dochter verzekert de visite dat zij er komend jaar, als ze eindelijk 16 is, ook vijf dagen vol voor wil gaan. Ik verslik me bijna, maar bedenk dan dat dat gelukkig nog een jaar duurt.

Uitgroei

Bij de kapper kwam ik een oude bekende tegen. Zij met een hoofd vol folies en ik met een uitgroei waar je U tegen zegt. (Allemaal hoofdletters geven een beter beeld van de situatie: UITGROEI!)

Een jaar of vijf geleden zagen we elkaar dagelijks op het schoolplein, maar ook zonder de pakweg 1000 updates die ik gemist had kostte het geen enkele moeite de draad weer op te pakken. Allebei drie kinderen van nagenoeg dezelfde leeftijd betekent levens die min of meer synchroon verlopen. Dus bij haar ging het nu ook steeds over het profielwerkstuk, studiekeuzes en wel of niet een tussenjaar.

Ik had blijkbaar wat kapselexperimenten gemist die mogelijk op een milde midlife-hobbel duidden en zij had mijn oudste dochter niet zien veranderen in een jongedame met make-up en een mening, waardoor ze haar laatst niet direct had herkend toen ze elkaar tegenkwamen. Mijn dochter vond dat raar; ze heeft geen idee hoe ze veranderd is. Ik mis haar gezicht met haar eigen wenkbrauwen, met niks erop, en tegelijkertijd ben ik zo trots op wie er nu staat. Als ik zie wat ze schrijft voor haar beschouwing voor Nederlands (‘maar dat zijn…goede argumenten!’), hoe ze haar eigen toneelstuk regisseert (‘Wie ís dit?!’), hoe ze school, werk, vrienden combineert…kortom, hoe haar leven een vlucht neemt. Je kunt er alleen maar naar kijken, je adem inhouden, huilen en juichen: daar gaan ze!

Het ritme van de basisschool, met het aandoenlijke en volkomen onpraktische ‘tussen-de-middag’ dat ik nog ken uit mijn jeugd liet ik graag achter me toen de jongste naar de brugklas ging. Ik kijk er nu op terug als heerlijk duidelijk en geruststellend. Die hele basisschoolperiode is een kabbelend beekje vergeleken bij de woeste stroomversnelling van de middelbare school. Mijn kinderen kunnen gelukkig goed zwemmen; het is vooral hun moeder die af en toe lucht moet happen.

Ach ja, en dan is het gewoon fijn om te horen dat het achter andere voordeuren hetzelfde is. Dezelfde vragen, dezelfde zorgen, vrees en trots in een gekke mix. De kinderen worden groter en wij worden grijzer. Gelukkig is er de kapper.

Berlijn ligt in het oosten

Over ACT en voornemens

 

Ja hoor, daar zijn we weer, op het ‘en nu écht!’-punt. Met frisse strijdlust of een nauwelijks verholen gebrek aan vertrouwen in eigen kunnen, op de barricades voor een ander 2019. Goede voornemens, mensen! Ik heb er twee, eentje is nieuw en het andere zeul ik al jaren met me mee. Mijn nieuwe voornemen voor het nieuwe jaar is: leren jongleren! Ik vind het leuk om iets compleet nutteloos te leren (wat?! nutteloos?! oog-hand coördinatie, mindfulness in beweging, het aanleggen van nieuwe verbindingen tussen de twee hersenhelften, hoe zinvol wil je het hebben?) en het lijkt me gewoon heel cool om in de klas ineens achteloos met drie etuis te gaan jongleren. Ik ben al begonnen. Dat wil zeggen, ik heb YouTube geraadpleegd en de jongleerballen uit de speelgoedkist gevist en ben toen blijven steken bij stap 1, waarbij je overgooit van de ene naar de andere hand met één bal. En ja, dat moet je dus oefenen, want dat moet op een bepaalde manier, waarbij…afijn, ik ben daar nog mee bezig. Het tweede voornemen is mijn persoonlijke gouwe ouwe: het oefenen van geduld. In de file geef ik me moeiteloos over aan de situatie en op school met mijn leerlingen leg ik zonder problemen 25 keer hetzelfde uit, maar als mijn eigen leerproces het tempo van een auto in de spits heeft dan heb ik het zwaar. De weg naar wat ik voor ogen heb is me vaak te lang. ‘Gij zult een succesvolle, gewaardeerde therapeut en docent zijn, met een oneindig arsenaal aan tools en techieken om eenieder te bieden wat hij nodig heeft!’ preekt mijn hoofd. ‘Wat zegt gij? Al doende leert men? Haha, dat geldt wellicht voor de rest van de wereld, maar gij zult alles in één keer kunnen!’ Tsja.

 

Gelukkig ben ik al weer een paar jaar bezig met ACT en dat helpt. Enorm. Door ACT (Acceptance and Commitment Therapy) lukt het me beter om die stem in mijn hoofd op te merken en er om te lachen. Roept u maar, dan ga ik ondertussen mijn gang, op mijn manier en in mijn tempo. Ik oefen elke dag om mild en geduldig te reageren op mezelf, als weer eens blijkt dat ik geen perfecte vrouw, moeder, echtgenote, zus, vriendin, therapeut, trainer of docent ben. Wat mij geholpen heeft is een simpele uitspraak die ik een hele tijd geleden ergens opving: Berlijn ligt in het oosten.

 

Goed, dat is niets nieuws. Maar als je ’s morgens op de fiets stapt om een eindje te rijden, dan maak het nogal wat uit of je je voorneemt naar het oosten te fietsen of naar Berlijn. Het oosten is easy, als je drie straten verder omvalt heb je toch gedaan wat je je voorgenomen had. Had je je daarentegen ten doel gesteld Berlijn te bereiken dan is de kans groot dat je ergens halverwege teleurgesteld en uitgeput in de berm ligt. Met andere woorden, het werkt soms beter te bedenken welke kant je op wil, dan waar je precies uit wil komen. Natuurlijk, in bepaalde gevallen is een heel concreet doel hebben juist erg helpend, zeker als het om iets gaat dat je op korte termijn wil bereiken, of wat te maken heeft met één specifiek aspect van je leven. Ik wil een familiereünie organiseren of ik wil een andere baan vinden of ik wil een 6 gemiddeld voor Frans op mijn rapport. Maar als het gaat over de lange termijn, over ondersteuning vinden om je leven te leiden op een manier die bij je past, dan helpt een heel specifiek doel je niet. Want we weten allemaal dat er altijd dingen op je pad komen die je niet bedacht of gewild had. Dan is Berlijn ineens onbereikbaar geworden. Of je komt er halverwege achter dat Berlijn misschien toch niet de plek voor jou is.

 

Als het gaat over grote vragen, zoals ‘waar wil ik naar toe met mijn leven / huwelijk / werk?’ of ‘wat voor soort iemand wil ik eigenlijk zijn?’ dan helpt het om niet te denken in termen van concrete doelen, maar juist waarden als uitgangspunt te nemen. Je kiest een richting, niet een eindpunt. Dan kun je vanaf dag 1 bedenken welke stap een stap in de goede richting is, en is één stap tegelijk al goed. Als ik dat vertaal naar de goede voornemens voor morgen, verandert ‘ik wil 60 wegen’ in ‘ik wil goed voor mezelf zorgen’ en ‘ik wil een harmonieus gezin’ in ‘ik wil (bijvoorbeeld) betrokken en verdraagzaam zijn’. Per dag, per keer, per keus, bedenk je wat past bij die waarden. Neemt iemand die goed voor zichzelf zorgt de auto of de fiets? Hoe reageert een betrokken, verdraagzame ouder op haar norse puber? Als je vanuit waarden denkt heb je eindeloos veel kansen om te doen wat goed voelt. En omdat je wel steeds bijstuurt, maar geen einddoel hebt, kunnen je voornemens jaren mee. ’T Is maar een tip!

 

 

Ouder

Mijn peettante overleed, kort na mijn vader, en zo zat ik te snel weer in een uitvaartdienst. Niet helemaal vooraan deze keer, maar op rij vijf of zes, achter mijn neven en nichten. Zelfs van de achterkant leken mijn drie oudste neven sprekend op elkaar; op hun kale koppen ontbrak alleen een stempel. Een andere neef, die ik niet meer gezien had sinds zijn communie, kwam ineens binnen met een grijze lok. En een achterneefje van wie ik heus wel wist dat hij bestond, maar van wie ik naast zijn naam niets wist, bleek twee koppen groter dan ik. De dienst was mooi, ik herkende mijn tante in de teksten en in haar kinderen en ik dacht aan mijn vader.

 

Na afloop bij de koffietafel praatten we bij, mijn neven en nichten, mijn zussen en ik. Het leek of we elkaar voor het eerst ontmoetten. De helft van ons zonder ouders, de anderen met zorgen: mijn vader was de jongste en met zijn nog levende broers en zus ging het niet goed. Het was zo overduidelijk, waar wij (ineens) stonden. Met aan de ene kant de generatie van mijn vader, broos en klein, en aan de andere kant onze kinderen, verlegen, knap, blakend van leven. Onze ronde in de estafette.

 

Ik vind het mooi dat in het Nederlands het woord ‘ouder’ de dubbele betekenis heeft die het heeft. Dat ouder worden (bijvoeglijk naamwoord) ook inhoudt dat je ouder wordt (zelfstandig naamwoord). Misschien niet letterlijk, als je geen kinderen krijgt, maar ook dan: je leert van het leven en als je je les geleerd hebt, dan geef je die door aan de volgende generatie. Dan geef je iets terug, in wat voor vorm dan ook. Door te leven op jouw manier laat je zien wat jij geleerd hebt over wat belangrijk is. Bij die koffietafel dachten we daar allemaal hetzelfde over. Familie doet ertoe. Iets van ons gedeelde stukje geschiedenis levend houden, als eerbetoon aan onze ouders of als houvast voor onszelf.

 

Misschien is het wel de tijd van het jaar, die maakt dat ik dit zo sterk voelde. Het einde van iets en het begin van iets anders. Het terugblikken en voornemens maken. Of het komt doordat ik voor het eerst kerstmis vier zonder ouders, maar met het vriendje van mijn dochter. Ik krijg een beetje de neiging om te roepen ‘Oké, ik vat ‘m hoor! Je hoeft het er niet zo dik bovenop te leggen! Ik word ouder, ik weet het!’ Maar ja, tegen wie?

 

Wat te doen? Je begint een nieuwe app-groep, met al je neven en nichten met wie je als kind nauwelijks contact had. En je plant een barbecue in de zomer, met alle kinderen erbij. Je denkt na over het stokje dat je wil doorgeven. En dan is het tijd voor champagne.

 

 

 

Gewoon: een eerbetoon

Dankbaarheid is het nieuwe chiazaad. Wat het voor je lijf doet weet ik niet, maar als ik de gemiddelde zelfhulpgoeroe moet geloven doet het wonderen voor je geestelijke gezondheid. Innerlijke veerkracht. Balans. Rust. Ik geloof het ook nog. Voor mij geen verplicht schriftje om elke avond in op te schrijven waar ik dankbaar voor ben. Met elk jaar dat ik ouder word, wordt de wereld mooier en worden mijn wensen kleiner. Een midlife crisis is niet aan mij besteed. Ik denk niet ‘is dit alles?’ maar steeds meer ‘dit is alles’. En ik krijg het daar niet benauwd van. Voelt wel goed eigenlijk.

 

Toen ik 8 was, waren ‘dank u voor deze nieuwe morgen / dank u voor deze nieuwe dag’ de enige zinnen in de kerk die geen vragen opriepen. Ze horen bij een gevoel dat iedereen kent. Als kind had ik er een naar-buiten-zonder-jas-gevoel bij, de belofte van het begin van de zomer. Of juist van die eerste keer dat je in de winter wakker werd in een witte wereld. ‘Nieuw’ als in spannend, fris, onbekend. Een dag die klaar lag om bestormd te worden. Nu word ik stil van een ander soort nieuw. ‘Nieuw’ is nu ‘nog een’, ‘weer een keer’. Nieuw is nu wakker worden met dezelfde mensen, weten dat er weer een kans ligt om goed te maken wat je kapot gesnauwd hebt, om bij te komen na een te volle dag. Het is de belofte van het bekende geworden. Lukte het gisteren niet om de moeder, dochter, vrouw te zijn die je wilde zijn, dan misschien nu wel. En zo niet, dan is het ook goed. We kennen elkaar al langer dan vandaag.

 

Als je een keer goed geschrokken bent, is de veiligheid van alles wat vanzelfsprekend is het mooiste wat er is

 

Als je een keer goed geschrokken bent, is de veiligheid van alles wat vanzelfsprekend is het mooiste wat er is. So what, de wasmand puilt uit, de tuin is een gruwel en je hebt nog steeds niet overal plinten? Dit huis is een thuis, met alle lading die dat woord heeft. Hier worden elke dag herinneringen gemaakt, hier hebben we onze eigen oude koeien. Hier is het elke dag Gewoon. Als we aan tafel gaan, schuift iedereen als vanzelf op zijn eigen plek, en in zijn eigen rol, van Opschepper, Spraakwaterval, Aanklager, Culinair Recensent of Grote Zwijger. Als iemand afwijkt, kijkt iedereen verrast op. Zelfs de dagelijkse ergernissen hebben iets van een ritueel: als mijn man de vaatwasser uitruimt klinkt het alsof hij de ene na de andere gietijzeren wok in de pannenla gooit. Onze kinderen en ik stoppen onze vingers in onze oren, mopperen (‘Pa-ap!! / Schat! Alsjeblieft!’), kijken elkaar al oogrollend veelbetekenend aan, en gaan weer verder met wat we aan het doen waren.

 

Mijn vader stierf, en drie deuren verder werd een meisje geboren. De bomen verliezen hun blaadjes, mijn dochter wordt verliefd. Ik weet, zo ongeveer op de helft (ik hoop dat ik nog even heb), dat het leven hard is en eindig, en soms verschrikkelijk wreed. En dat ik van niks weet, en mijn kinderen nog minder. Met dit leven, in dit land, in ons gezin, elke dag ondergedompeld in vertrouwen. Dat maakt me heel dankbaar. Ik vertel ze: ‘Investeer in wat mee de kist in kan. Dat is het enige dat telt’. En gelukkig is dat geen loze kreet uit een goedbedoeld boekje, maar iets wat ik steeds beter echt kan voelen. Gewoon dit, beetje samen ploeteren met mijn man, mijn kinderen, lieve vrienden. Ups-and-downs delen, van herfst naar lente en weer terug. Mijn kist zit straks propvol alledaags geluk.

Fast Forward

Eigenlijk lijkt die hele puberteit nog het meest op een zwangerschap. Genieten van zwanger zijn als je zwanger bent is helemaal niet zo makkelijk. Bij mij is de laatste keer 14 jaar geleden, maar ik weet het nog heel goed. Ze waren er wel hoor, de momenten dat ik ‘volgens het boekje’ ( lees: volgens de bladen voor jonge moeders) op de bank zat, gelukzalig mijn buik aaiend met een kopje thee. Maar vaker werd mijn serene glimlach rap van mijn gezicht geslagen door iets dringends of iets pijnlijks. Een krijsende baby, een peuter met eigen wil, rugpijn, hoofdpijn. Daarnaast had ik regelmatig een milde angstaanval (‘Zal alles wel goed zijn?!) en een schuldgevoel (‘Ik beleef deze zwangerschap helemaal niet bewust!’) en zat ik permanent in een mist van vermoeidheid. Drie kinderen in drie-en-een-half jaar, dan krijg je dat.

Als ik nu een dikke buik zie, wordt de melancholicus in mij wakker. Terugkijken, vanaf mijn veilige positie als ervaren moeder met drie gezonde, grote kinderen en een goede nachtrust. Wat was het mooi! Wat ging het snel! Toen ik er middenin zat wist ik soms niet Hoe Het In Godsnaam Moest, maar nu word ik week als ik er bij stilsta. Het wonder van het leven, echt wel.

DUS! Die truc pas ik ook toe als mijn huidige leven me even teveel wordt. Eerst gaat het zo:

Ik kom mijn huis binnen.

  • Had ze haar jas nou niet even kunnen ophangen?
  • Waarom hebben we eigenlijk een schoenenrekje?!
  • Liggen die boeken nou nog op de trap!
  • Liggen die boeken nou nog hier op de grond!
  • Lig jij nou nog op die bank? Je had het toch zo druk?!
  • Hé, dat formulier moest vandaag toch ingeleverd zijn!
  • Wat? Of ik kan helpen met aardrijkskunde? Ja…zo…
  • Waarom hebben jullie het aanrecht nou zo achtergelaten?
  • Hoezo is al het drinken op? Hoeveel drinken jullie dan?
  • Nee, ik heb de witte was nog niet gedaan? Sorry!
  • Oh..moet jij al om 5 uur eten. Dat wist ik niet!

Nou ja, en dan probeer ik dus al die dingen tegelijk te regelen en ondertussen door te ademen. En mijn kinderen voor de tigste keer ferm maar rustig te herinneren aan gemaakte afspraken.

En dan doe ik de truc. Ik ga fast forward naar over tien jaar, als ze alle drie het huis uit zijn. Als mijn huis opgeruimd is en er bloemen op een verder lege tafel staan, zonder stapels ‘allerlei’. Als ik af en toe kijk of ik een appje terug heb over hoe hun dag was. Als ik misschien wel op de klok kijk of ik al kan skypen met de andere kant van de wereld. Als ik de was makkelijk kan bijhouden en kan eten wat ik wil, wanneer ik wil. En het lijkt me zo fijn om niet óveral over opladers te struikelen, maar toch voel ik dan vooral hoeveel ik ga missen. En dan ben ik zo dankbaar voor mijn volle leven en mijn, in alle opzichten, heel volle huis.

Viva la revolución!

Je zou het niet zeggen als je me zag, maar ik ben een rebel. Een revolutionair. Bij vlagen, althans. Want:

  • Ik ging als tiener vrijwillig en met plezier met mijn ouders fietsen op zondag
  • Ik ging als kersverse jonge moeder probleemloos een midweek naar Landal, en ook daar eten onder de plastic palmbomen
  • Ik heb overwogen een caravan te kopen en dit besproken in mijn vriendenkring
  • Ik ben verschillende keren zonder make-up en in een goedkope regenjas naar een hockeywedstrijd gaan kijken
  • Ik ben met het gezin op vakantie geweest en we hadden allemaal dezelfde schoenen aan

Op de basisschool was ik er nog niet klaar voor. Ik wilde een paardenstaart, maar op de een of andere manier was van de ene op de andere dag op school komen met een nieuwe look onmogelijk voor mij. Dus maakte ik elke middag in de badkamer een staart en stond dan in de spiegel te kijken naar wie ik wilde zijn. En dan ging ik weer met los haar naar beneden.

Daarna ging het beter. Ik weet nog dat ik mijn eerste legging kocht. Mijn ‘alto’-vriendinnen in shock:

‘Wat heb jij nou aan?! Dat is toch niks voor jou?’
‘Nou, ik heb ‘m aan, dus blijkbaar wel, dan.’

In mijn studententijd had ik een flinke terugval. Als Gutmensch avant la lettre leed ik onder mijn principes en was me de hele dag pijnlijk bewust van wat ik onze planeet aandeed. Ik kon nergens iets kopen, want kinderarbeid, dierproeven, milieuverontreiniging, you name it. O wee als iemand me zag met een plastic tas. Bij de gedachte alleen al brak het zweet me uit. Het duurde een tijd voor ik FUCK IT! leerde voelen.

Sindsdien trek ik mij in toenemende mate minder aan van hoe het hoort in mijn omgeving. Voor mijn omgeving, denk: jaren 30-huis, volvo, vt-wonen mix van design en vintage meuk (‘Het tafeltje vond ze bij het grof vuil. De schemerlamp kreeg ze van haar oma’. Gruwel), filmhuis, verantwoord eten, goede boeken, kleinschalige camping. Begrijp me goed, ik hou van al die dingen. Maar als voorkeuren wet worden krijg ik jeuk. Waarom moet ik in de ene en mag ik niet in de andere auto gezien worden? Waarom voelt het alsof ik iets fout doen als ik iets koop wat overduidelijk in de mode is? Wie of wat verraad ik door in een all-inclusive oord in Turkije te gaan zitten?

De maatschappij vindt ook van alles. Ja, ik wil financieel onafhankelijk zijn. Ik wil mijn hoofd gebruiken en meedoen met de grote mensen, maar niet de hele week. Ik wil ook bij mijn kinderen zijn. So piss off Heleen Mees en neem meteen Marianne Zwagerman mee. Naast een carrière is een flitsend sociaal leven een must. Ik geniet van mijn huisje, boompje, beestje en ik wil niet hoeven bewijzen dat ik desondanks nog meedoe in de wereld door elke week een foto van mezelf op een dance event of in een sterrentent te posten. Van alle kanten komt de boodschap dat er geen leven is na jong en strak. Ik was niet van plan totaal te verslonzen, maar kom op. Mag een moderne vrouw alsjeblieft zelf weten of ze in vol ornaat naar haar uitdagende baan gaat, perfect haar, hoge hakken, de hele rataplan, of dat ze liever in een joggingbroek een ovenschotel klaarmaakt? Waarom moet het zus en mag het niet zo? Wat is er eigenlijk tegen én-én?

Ik weet wel: de enige die zo druk bezig is met wat ik allemaal doe, ben ik. Elke beperking die ik ervaar leg ik mezelf op. Blijkbaar heb ik zelf nog steeds het idee dat ik in mijn hokje moet blijven. Mijn hokje is heel complex. Het is het hokje van goede moeders-tevens interessante vrouwen-aantrekkelijk-maar niet oppervlakkig-met humor en persoonlijkheid-en nooit moe. Nou dan, ik wil een blije hokjeshopper worden. Een BH. In opstand komen tegen mijn eigen eisen. Soms mijn best doen, soms niks doen.

Meer nog wil ik voorkomen dat mijn kinderen hun eigen hokje creëren, met nodeloze grenzen en verplichtingen. Met mijn eigen ervaring in het achterhoofd heb ik mijn dochters op het hart gedrukt in de eerste week op de middelbare school elke dag iets anders te doen met hun haar. Los, staart, knot, en liefst ook een dag een hoedje op. Dan ligt de wereld voor je open! Dan kun je jezelf elke dag opnieuw uitvinden. Want dan ben je in de ogen van anderen iemand ‘die nergens bij hoort, maar gewoon zo is’. En met een beetje geluk kun je jezelf dan ook zo leren zien. Heerlijk.

 

 

Mijn vader is dement

Mijn vader is dement. Waar ik tien jaar geleden in elke handtas of jaszak een doosje rozijntjes tegenkwam, altijd voorbereid op een kind dat getroost of afgeleid moest worden, vind ik nu overal ballonnen. Een tijdje terug kon ik daar leuk mee spelen met mijn vader. Nu reageert hij er helaas niet meer op.

Dementie is iets vreselijks. Je ziet iemand van wie je houdt voor je ogen vervagen, verdwijnen. Het doet me pijn om iemand die zich altijd gedroeg en kleedde als een heer in een joggingbroek te zien. Om kinderliedjes te moeten zingen zodat hij zijn mond open doet en ik zijn tanden kan poetsen. Om te zeggen: ‘Hé, pap, weet je, ik was gisteren jarig,’ en dan een lege blik te zien. Hij gaat zo snel achteruit dat het nauwelijks bij te houden is. Elke fase in het proces is op een andere manier intens verdrietig. Eerst de ontkenning terwijl het bewijs zich opstapelt, dan het besef van alles wat verloren zal gaan, het afscheid van zelfstandigheid, de lichamelijke aftakeling. Als dochter voel ik met hem mee, ben ik boos en verdrietig voor hem, om hem. En ondertussen probeer ik voor mezelf een weg te vinden in het omgaan met steeds minder vader.

Nog geen twee jaar geleden kwam hij bij me logeren. We hadden goed afgesproken dat hij ’s nachts niet alleen naar de wc mocht. Toch trof ik hem daar aan, midden in de nacht. Toen ik vroeg wat hij daar deed, zo in de kou, keek hij naar me op en zei: ‘Ik moest hier wachten, mama komt me zo halen.’ Ik heb hem naar bed gebracht en heb daarna in mijn eigen bed geprobeerd de huilbui los te laten die in mij zat. Inmiddels is alles aan die situatie ondenkbaar. Lopen, praten, het gaat niet meer.

En toch, toen ik hem gisteren zag en we samen koffie dronken, was er naast verdriet ook echt iets anders. Het is raar, maar ook aan dementie zit een mooie kant. Voor mij tenminste. Mijn vader is een goeie vader geweest. Maar zoals voor iedereen geldt: perfect was hij niet. Ik heb soms meer van hem verwacht dan ik kreeg, ik heb hem gemist toen ik hem nodig had. Andersom is dat misschien precies hetzelfde. Dat heeft een aantal jaar in de weg gezeten tussen ons. Ik was snel geïrriteerd, bleef maar zoeken naar die vader die ik wilde dat hij zou zijn. Ik zocht zo hard dat ik weinig geduld had met de vader die ik had. Voordat we wisten dat hij aan Alzheimer leed, werd de afstand tussen ons door zijn veranderende gedrag alleen maar groter. Toen we het eenmaal wisten, werd het zo mogelijk nog lastiger. Ik had nog wat te zeggen! Waar moest ik naar toe met mijn frustratie over niet ingeloste verwachtingen? Ik wilde geen begrip hebben voor wat hij, misschien door de ziekte, niet meer kon. Ik wilde dat hij zou luisteren, mijn verhaal zou horen. En nu kan ik alleen maar zeggen, nu we vijf jaar verder zijn: de dementie heeft ons geholpen. Door die ziekte, een nietsontziend monster, is zoveel verdwenen dat we alleen nog de kern van onze relatie over hebben. Er is alleen nog liefde. Dat is wat ik zie als ik bij hem ben, en dat is wat ik voel. Met het voortschrijden van het proces is mijn ergernis verdwenen; mijn verwachtingen zijn niet ingelost, maar langzaam opgelost. Ze doen er niet meer toe. Ineens is het heel gemakkelijk geworden om hem te knuffelen en kusjes te geven op zijn kale hoofd. Ik word niet meer geremd door wat dan ook dat ik graag anders gezien had in onze relatie. We zitten gewoon van elkaar te houden.

Wat is dat toch met mensen? Waarom is het soms zo moeilijk om te laten zien hoeveel je van iemand houdt, als die persoon niet precies doet of geeft wat je wil? Of zelfs als hij of zij dat wel doet? Waarom verstoppen we zoveel liefde? Dit is de paradox die mijn vaders dementie mij heeft leren zien: als je de weegschaal wegzet, als je geeft zonder iets terug te willen, dan krijg je juist waar je op hoopte. Misschien niet in de verwachte vorm, maar toch.

Verbeter je wereld in 30 seconden

Honderd jaar geleden, toen ik studeerde, nam ik vaak de trein. Als ik dan op het perron op mijn aansluiting zat te wachten, deed ik altijd het volgende: als er een trein aankwam stelde ik me voor dat daar iemand in zat die ik vreselijk gemist had, iemand die ik heel graag weer wilde zien. En de eerste persoon die uitstapte, was die persoon. Ik moest dan proberen die persoon te zien door de ogen van iemand die er heel veel van hield. Soms ging dat best, en vaak was het moeilijk.

Uit die tijd herinner ik me ook een uitzending van Oprah Winfrey waar ik lang lol om had met een vriendin. In de uitzending werd stellen met een uitgeblust huwelijk geadviseerd om elke dag 30 seconden te tongzoenen als ze elkaar na een werkdag weer zagen. De stellen vonden dat ongemakkelijk lang, en ik vond dat zo treurig dat ik me niet kon voorstellen dat ze voor zo’n huwelijk nog wilden vechten. Ik was 20 of zo.

Inmiddels ben ik lang en gelukkig getrouwd met een man die ik nog steeds heel leuk vind. Wij tongzoenen niet elke middag bij thuiskomst, en ik geloof niet dat dit ligt aan het feit dat we elkaar op ons werk ook regelmatig zien. Ik dacht aan Oprah toen mijn zus vertelde dat ze, geïnspireerd door een opmerking van Hugo Borst in zijn roman Ma, besloten had te gaan proberen iedereen die ze tegenkwam echt te zíen. Een vriendelijk woord voor de kassière, een begroeting mét oogcontact voor de buschauffeur, dat soort dingen. Ik ging met mijn zus meedoen, en ik begon thuis. Zowel man als aanwezige kinderen vonden mijn Oprah-actie midden op de dag heel vreemd. Ik denk niet dat ik de 30 seconden vol heb kunnen maken. De kinderen vluchtten geschokt, en mijn man voelde zich overrompeld. Maar op een goede manier.

Ook zonder het zoenen vond ik het verschil opvallend. Ik begroette mijn man met evenveel aandacht als ik zou hebben voor een goede vriend die na lange tijd weer langskwam. Dus niet “Jij ook iets?” met mijn gezicht naar het aanrecht maar “Wat kan ik voor je inschenken?”, één en al aandacht, ook non-verbaal. Niet met één oog op de laptop “Hé schat, goeie dag gehad? Ze hebben eindelijk gebeld van de bla bla bla…”(verhaal over saaie regeldingen), maar wachten op het antwoord en doorvragen. Ik dacht eigenlijk dat ik al veel aandacht gaf op die manier maar het viel me op dat het meteen anders was dan anders. Blijkbaar multitask ik normaal gesproken door dit soort momenten heen. En nou ligt het misschien voor de hand om te zeggen dat het juist zo fijn is van getrouwd zijn dat je niet zo je best hoeft te doen, dat gewoon doen ook oké is, maar ik vond het eigenlijk best stom om te merken dat mijn man mij raar aankeek toen ik middenin de dagelijkse sleur informeerde naar zijn dag én tijd nam voor zijn antwoord.

Bij de kinderen was het verschil veel kleiner. Die merkten niet dat ik iets anders deed, en misschien deed ik dat ook niet. Ik heb de liefste pubers van de wereld thuis, maar om een beetje voeling te houden met wat er in ze omgaat is een half woord en een pot thee op tafel niet genoeg. Ik moet mijn voelsprieten uitsteken en goed kijken, en ze slinks losweken van hun mobieltjes . Daar heb ik al mijn aandacht bij nodig. Het kan natuurlijk ook zijn dat ze zo opgaan in hun telefoon dat ze me überhaupt niet opmerken, aandachtig of niet. Daar heb ik Oprah in 1990 niet over gehoord.

Buitenshuis ging er een wereld voor me open. Vroeger schaamde ik me dood voor mijn vader die iedereen aansprak in de supermarkt (“Zo, dat wordt een gezellige avond!”, “Ik zie dat u ook een paar tieners te voeden heeft?”), maar nu was ik, de eerste dagen niet helemaal vrij van gêne, echt mijn vaders dochter. En dit is echt waar: íedereen vindt het leuk! Ik heb het beperkt gehouden natuurlijk, en heb niemand een ‘free hug’ opgedrongen, maar toch! Het was gewoon heel anders om de supermarkt uit te lopen nadat ik in plaats van ‘hetzelfde..’ te mompelen de kassière heel bewust en duidelijk een fijne dag had gewenst. Ik werd er blij van!

En nee, je kunt niet de hele dag vullen met belangstelling tonen voor iedereen en drinken aanbieden aan je gezinsleden. Er moet garen op de klos en soms doet mama even heel ongezellig, omdat het moet. Maar ik denk dat iedereen wel 30 seconden of, doe ‘ns gek, een paar minuten heeft om even echt ‘hallo’ te zeggen voor er weer van alles moet.

Dus: wie doet er mee met een experiment?

Dit is het experiment:

  • Als je een partner hebt, behandel je je partner bij thuiskomst hetzelfde als een vriend die je hebt uitgenodigd (informeren naar dingen die hem of haar bezighouden, je houding in standje ‘vriendelijk-betrokken-gastvrij’) of je gaat full-Oprah!
  • Als je kinderen hebt, behandel je je kinderen bij thuiskomst als de kinderen van die vriend (informeren naar wat ze doen of leuk vinden, leeftijdgebonden onbeleefd gedrag vergoelijken)
  • Als je buiten bent, stel je je voor dat je achtervolgd wordt door een camera en dat je een droomreis kunt winnen als je hoog scoort op ‘contact maken’

Kijk wat er gebeurt. Wie merkt het op? Wat is anders? Hoe is dat voor jou?

Omdat ik zo benieuwd ben, zou ik het leuk vinden als je een reactie achterlaat. Al is het maar hoe lang het duurde tot iemand het verschil merkte. Wedden dat het eerder een kwestie van minuten is dan van uren?